Skip to content

Lüpertz in het Haagse Gemeentemuseum: blijft het idool overeind?

4 oktober 2011

Oorspronkelijk geplaatst op 15 juli 2011

Werk van jeugdidolen jaren later weer tegenkomen kan ontluisterend zijn. Hoewel je je kunt afvragen voor wie, voor jezelf of voor het idool.

In de tijd dat ik mijn studie aan de Haagse Academie voltooide, liepen er aardig wat idolen rond. Het einde van de jaren zeventig was verstikkend anti-schilderen geweest. Maar begin jaren tachtig keerde het tij onweerstaanbaar. Een hele rits Duitse schilders, een paar Italianen en een enkele Amerikaan veroverden de westerse kunstwereld weer ouderwets met de verfkwast. De Duitsers waren gesanctioneerd door Joseph Beuys, dus geen enkele conceptualist kon er wat op tegen hebben. Toch vond een enkele ouwe kunstenaar dat het om een stelletje Neonazi’s ging. Tenslotte, zo’n Anselm Kiefer, die had het in zijn werk onder meer over de Duitse historie en dat werk was bovendien van gigantische afmetingen. Dus dat diende op voorhand gewantrouwd te worden. En zo waren er nog een handjevol engelen die onze jonge studentenzieltjes trachtten af te houden van de conservatieve, ja, reactionaire verflucht.

Toch verslapte de volgende jaren de aandacht voor deze schildersgoden. Hoe kan het ook anders. Mensen als Kiefer, Georg Baselitz en Markus Lüpertz stonden in de jaren tachtig op het hoogtepunt van hun roem en kunnen, en moesten het al spoedig opnemen tegen jongere generaties die toch weer andere dingen wilden. Het werk van Baselitz was ik zelf al spoedig zat. Alles op z’n kop schilderen, dat was toch niet meer dan een gimmick. Het werk van Kiefer leek barsten te gaan vertonen onder de druk van de vraag van musea en verzamelaars naar monumentale Kiefers. Maar het werk van Lüpertz, dat nu en dan opdook in tentoonstellingen, leek afwisselend, degelijk en schilderkunstig te blijven. Was dat ook zo?

De huidige tentoonstelling ‘Markus Lüpertz, In’t God’lijk Licht’ in het Haagse Gemeentemuseum bevestigt wat mij betreft bovenstaande, maar roept ook vragen op.

De tentoonstelling is niet chronologisch ingedeeld, maar naar thematiek. Zo is er veel aandacht besteed aan schilderijen en tekeningen met korenaren uit de jaren zeventig en negentig. De korenaar is uiteraard een oeroud motief dat samenhangt met dagelijks brood, groei en voedsel. Als zodanig werd het ook ingelijfd door de Nazi´s. Koren op de molen uiteraard voor de critici van de Nieuwe Wilden die daar weer een herleving in zagen van de Nazi beeldtaal. Nu al die korenaren bij elkaar hangen blijkt eerder het tegendeel waar.

In de jaren zeventig duikt de korenaar in Lüpertz’ werk op als een bijna abstract element dat beeldende mogelijkheden bevat. Het is simpel een vorm met richting en ritme en daarbij heel compact. In tekeningen wordt de korenaar in de jaren zeventig steeds weer opnieuw bekeken door Lüpertz, dan weer realistisch, dan weer abstracter, met kleurvariaties en in korenvelden. De uitdrukkingskracht lijkt daarbij steeds het uitgangspunt te zijn.

Maar wat moet er dan uitgedrukt worden? De series tekeningen zijn door Lüpertz samengevat onder de naam “Deutsches Motiv”. Sluipt hier de Nazi iconografie dan toch weer binnen? Ja en nee. De Nazi’s hadden (en hebben) met de toe-eigening van allerlei icongrafie de Duitse beeldtaal behoorlijk besmet. Die kon daarom door schade en schande niet meer met goed fatsoen gebruikt worden. Maar in de kunst blijven schade, schande en fatsoen zelden of nooit veilig. De naam “Deutsches Motiv” lijkt eerder een provocatie in de titel, want er spreekt geen enkele verheerlijking uit de werken. Alleen met kwade wil kun je in enige tekeningen van korenvelden met aren, die schuin in de zelfde richting hangen, een symbool zien voor een gelijkvormige mensenmassa. Maar dan nog hebben die tekeningen niets verheerlijkends. Ze laten slechts ritme en structuur zien, zonder dat daarbij nadrukkelijk ontzag wordt ingeboezemd. Ondanks het expressionistische handschrift is er hier en daar eerder sprake van een mondrianeske abstractie.

In de jaren negentig gebeuren er weer heel andere dingen met de korenaren.

In een tekening laat Lüpertz de aren vrijelijk in verschillende richtingen door elkaar hangen. Ondanks dat zij blijkbaar in een veld staan dat tot aan de horizon reikt, lijken de aren rank en individueel.

Daarnaast gebruikt Lüpertz het ritme van de aren zelf als een uitgangspunt voor verschillende tekeningen. De aren zelf lijken daarbij verdwenen, alleen de ritmes blijven over.

Die ritmes keren ook weer terug in schilderijen en tekeningen van landschappen en stillevens en worden daar een soort bindend element. Als een beeldrijm grijpen zij in de ritmes van bomen, takken en bloemen.

Naast de werken met korenaren uit de zeventiger en negentiger jaren is er een schilderij uit 2006 bijgevoegd. Een naakt, op de rug gezien, naar boven toe gefragmenteerd en zonder hals of hoofd. De compositie is verticaal opgebouwd maar heeft bovenaan de rug van het naakt twee min of meer horizontale elementen: iets wat op een vleugel lijkt en, jawel, een korenaar. Beide liggen over elkaar gevouwen. De opbouw van het naakt, met name de linkerarm, doet ook denken aan een korenaar. Het werk lijkt te refereren aan mythologie van engelen en klassieke goden en helden en is gefragmenteerd als een overblijfsel uit vroegere beschaving. Maar Lüpertz kijkt in dit werk ook terug op zijn eigen schildershistorie.

De strak geschilderde blauwe hemel en het even strak geschilderde groen grijpen terug naar werken uit de jaren zestig. Werk waarin Lüpertz nog sterk naar een eigen beeldtaal zocht.

Zelf noemde hij dat werk dithyrambisch. Een term die nu toch echt een beetje opgeblazen aandoet en onder welks vlag, naar mijn smaak, niet bepaald meesterwerken zijn gemaakt. Dat kun je de toen nog jonge schilder nauwelijks kwalijk nemen en het moet gezegd, de werken getuigen wel van lef. In ieder geval komen het strakke blauw en het strakke groen in het naakt van 2006 weer terug, maar nu op een manier die zowel de stilte als de dramatiek van het schilderij lijken te benadrukken. Alles lijkt hier op zijn plaats te vallen.

De tentoonstelling schenkt relatief veel aandacht aan het jeugdwerk, werk uit de jaren zestig. Dithyrambisch werd het dus genoemd door Lüpertz. Dat mag nu als humbug in de oren klinken, het beestje moest een naam hebben, maar het is ook een statement. Lüpertz heeft zich in de loop van zijn carrière veel met de klassieken en met klassieke thema’s beziggehouden. En hij heeft dat steeds gedaan met een dionysische inslag.

Het zogenaamde dithyrambische werk dat grotendeels is opgebouwd uit lijnen is flink vertegenwoordigd op de tentoonstelling. Interessant werk, dat steeds het hele schilder- of tekenvlak beslaat, terwijl het refereert aan klassieke ornamentiek, zowel strak als dionysisch. Dat is sindsdien een kenmerk gebleven van Lüpertz’ werk.

Wat overigens niet wil zeggen dat Lüpertz alleen maar naar voorgangers terug verwijst. Al zijn werk had en heeft ook steeds iets met het heden te maken.

Alleen al het gebruik van de korenaren in de zeventiger jaren getuigt daarvan, maar ook een serie uit de vroege jaren zestig over Donald Duck. Appel en Bacon zijn er in terug te herkennen, maar het is wederom werk dat van durf getuigt in die tijd en op die leeftijd. Of het buiten die context nu verder zulk bijzonder werk is, is maar de vraag.

De laatste jaren is er steeds meer nadruk gekomen op sculpturen van Lüpertz. De beelden zijn vrijwel exclusief gebaseerd op klassieke thema’s. Klassieke goden en helden worden door Lüpertz opgevoerd, blijkbaar met instemming van het opdrachtgevend publiek. U merkt het, ik ben er wat sceptisch over. Voor zo ver te zien op deze tentoonstelling, komt het sculpturale werk op mij vooral over als driedimensionaal schilderswerk. Dat het werk beschilderd is, lijkt me niet eens de hoofdoorzaak, uiteindelijk waren Griekse Klassieke beelden oorspronkelijk ook beschilderd.

Het gaat me meer om hun fysieke aanwezigheid, of liever, de afwezigheid daarvan.

Als welkomstbeeld in het museum kijkt ons een Mozartbuste aan. Een leuk ding, daar niet van, doeltreffend met zijn bleke gezicht opgesteld tegen een roodbruine achtergrond. Maar maakt het nu zo veel uit dat het ding driedimensionaal is? Goed, dan hadden we het staartje aan het achterhoofd gemist, maar in de context van een Mozartbuste is zoiets toch een vrij conventionele toevoeging.

Het meest doeltreffend is misschien nog de quasi-gehavende buste van Athene.

Op de tentoonstelling zijn verder nog legio schetsen te zien voor een Herculesbeeld. Zou je die bij een academieleerling tegenkomen, dan zou je versteld staan van zoveel talent. Maar wat doen al deze modelschetsen op deze tentoonstelling? Zoekend naar die enkele briljante schets, stond ik me toch al snel te vervelen bij al dat houtskool. Veruit het spannendste vind ik de schetsen voor de kop van Hercules. Het gebruik van kleur en houtskoolvegen in combinatie met de weerbarstige Lüpertzlijnen levert daar fraaie dramatische tekeningen op.

Opvallend is dat er een aparte zaal is gewijd aan ‘Meesterwerken’. Houdt dat dan in dat de rest allemaal van mindere garnituur is? Of gaat het hier om de grotere symfonieën binnen een oeuvre vol kamermuziek? Geen van beide, het gaat gewoon om bekende werken, werken waar Lüpertz beroemd mee geworden is. En inderdaad, het zijn geen kleine dingetjes. Schilderijen als Eskalation uit 1973 en één onderdeel van het drieluik Schwarz, Rot, Gold uit 1974 zijn er te zien. Voorstellingen die begin jaren tachtig al flink de ronde deden, ondanks dat er nog geen internet was.

Ook “Standbein – Spielbein Rechts” uit 1982 is er te zien, een duidelijke herneming van Lüpertz klassieke belangstelling in meer concrete vorm.

[detail]

En ook één van mijn persoonlijke favorieten, het picassoëske “Der Triumph” uit 1980, hangt er, ik mag wel zeggen, luid en duidelijk.

Speciale aandacht wordt besteed aan Lüpertz’ verwijzingen naar oudere schilderkunst.

Hij heeft nogal wat onderdelen van schilderijen van Poussin gebruikt om nieuwe composities te maken. En ook vinden we Courbet, Corot en

Hans von Marées terug. Hoewel hij nergens uitdrukkelijk stilistische variaties maakt op bekende werken van andere meesters, zoals Picasso dat deed, stelt Lüpertz zichzelf duidelijk in de tradities van die schilders, inclusief Picasso in diens streven in het pantheon te staan van zowel de klassieke oudheid als de grote schilderende voorgangers.

Je kunt je afvragen of dat terecht is. En ook of het schilderijen oplevert die zonder kunsthistorische voorkennis genietbaar zijn. Voor diegenen die dat laatste willen, is het aan te raden de titels van de werken niet te lezen. Ook dan blijven het goeddeels, en ik kan niet anders dan dat toegeven, werken van een meesterschilder. Beredeneren waarom dat zo is, heeft weinig zin. Voor goede kunstwerken zijn nu eenmaal geen regels.

Het meest benieuwd was ik naar de recente werken, die dan ook apart belicht worden in de tentoonstelling. Het is alsof er een soort stabilisering is opgetreden in het laatste werk. Zowel qua kleur als compositie wordt er door Lüpertz uitdrukkelijk naar harmonie gezocht. Handschrift, kleur en onderwerp lijken steeds met elkaar uitdrukkelijk in overeenstemming te zijn. De onderwerpen zijn uiteenlopend, abstract, allegorisch, landschappen, nageschilderde foto’s, van kleurrijk tot grauwig. Het lijkt Lüpertz allemaal niet meer uit te maken, als er maar steeds opnieuw harmonie kan ontstaan binnen de wereld van het schilderij zelf. Twee schilderijen met een bootje op het ijs (2010) heten Charon. Een titel die wat hulpeloos aan doet bij de eenvoud van de schilderijtjes. ‘Schilderijtjes’, want de tentoongestelde recente werken zijn geen van alle groot.

Picasso noemde ik al eerder. Momenteel is er nog een kleine, intieme tentoonstelling met kleine werken van Picasso te zien in het Tritonkabinet van het Gemeentemuseum. Ik kon de verleiding niet weerstaan daar toch nog even te kijken na Lüpertz. En het valt onmiddellijk op: Lüpertz kon en kan niet om Picasso heen. Dat wil zeggen, iemand als Lüpertz die zich blootstelt aan de kunstgeschiedenis met het nadrukkelijke streven daar een plaats in te nemen, kan niet om Picasso heen. Die komt Picasso’s werk hoe dan ook op zijn weg tegen en zal diens invloed, en daarmee die van zeer veel anderen, ondergaan.

En blijft daarmee mijn jeugdidool overeind? Het lijkt mij wel. Dat Lüpertz zich van oude trucs bedient, is geen probleem. Dat doet uiteindelijk iedereen. Hij lijkt vooral nog steeds zijn eigen gang te gaan en heeft daarbij weinig last van routine. Ieder schilderij stelt voor hem blijkbaar nog steeds zijn eigen problemen. Ieder schilderij zoekt zijn eigen oplossing en zijn eigen harmonie. Toegegeven, de turbulentie is eruit, maar de durf is gebleven.

Bertus Pieters

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: