Skip to content

Marthe Wéry in het Haagse Gemeentemuseum: de stilte tussen Lüpertz en de ZomerExpo.

5 oktober 2011

Oorspronkelijk geplaatst op 3 augustus 2011

Binnen de twintigste-eeuwse beeldende kunst is er bij een aantal schilders steeds een streven naar formele zuiverheid geweest. Abstractie en de schoonheid van de geometrie, waartoe het rechthoekige doek als vanzelf uitnodigde, maakten dat mogelijk.

Iemand als Mondriaan was zo’n zoeker naar zuiverheid. En hoewel hij de compositie reduceerde tot rechthoekige vlakken in wit, grijs en primaire kleuren, streng omkaderd door rechte, zwarte lijnen, bleven zijn werken ook uitdrukkelijk schilderijen. Zeker, iedereen weet dat je geen expressionistische klodders, halen en vegen hoeft te verwachten bij Mondriaan, maar zijn werken zijn wel degelijk met gevoel geschilderd.

Dat kun je uiteraard goed zien in de grote Mondriaan-collectie van het Haagse Gemeentemuseum. Het werk van de Belgische Marthe Wéry (1930 – 2005) staat in de Mondriaan-traditie. In het Gemeentemuseum is momenteel de retrospectieve tentoonstelling “Kracht van de eenvoud” van haar werk te zien

De Mondriaan-traditie is nog goed traceerbaar in haar vroege werk uit de jaren zestig. Ook Wéry reduceerde de compositie en ze liet zelfs de primaire kleuren weg en ook de zwarte kaderende lijnen. In plaats daarvan werkt ze met genuanceerde grijstonen die de warmte van het licht terug lijken te brengen waar Mondriaan die uitgebannen had.

Meteen in dit vroege werk valt al de gelaagdheid op van de verf. En dan bedoel ik niet de eventuele intellectuele gelaagdheid maar puur de verflagen die over elkaar heen liggen en elkaar beïnvloeden. Het is opvallend dat ze daar al in de jaren zestig acrylverf voor gebruikte, daarmee de mythe dat olieverf altijd meer diepte geeft, verwerpend.

Was veel werk uit de jaren zestig nog vrijwel vierkant en stond de compositie steeds op een punt van het vierkant, in de jaren zeventig worden de schilderijen weer “gewoon” liggende of staande rechthoeken en Wéry concentreert zich meer op de lijnen. Dicht naast elkaar lijken het licht en donker van de lijnen in elkaar over te vloeien, lijkt het te gaan bewegen. Twee dingen spelen hier een rol: de kracht van de verf en het inzicht van de kunstenaar die ziet dat de verf precies het gewenste werk doet.

Maar intussen gaat nóg iets een steeds belangrijker rol spelen in Wéry’s werk: ruimtelijkheid. Wil je het licht uit de verf laten ‘ademen’, dan heeft het ruimte nodig. Dat geldt voor alle schilderijen, maar zeker voor werk dat de uiterste consequentie uit dat gegeven lijkt te willen trekken. Een werk als “Ensemble ligné” uit 1974, een klein drieluik maar met de kracht van rust, stelt nadrukkelijk eisen aan de ruimte waar het hangt. Het mag niet vermengd raken met andere schilderijen of voorwerpen in de buurt. Dat zou het licht, dat door het grijs heen tracht te komen, en de drie-eenheid van het geheel te veel doorbreken. In feite geldt dat voor alle samengestelde werken van Wéry en ook voor veel enkelvoudige werken.

Dat geldt dus ook zeker voor een elfdelig veelluik uit 1983 met zijn gedempte tonen. Nu er ook rood zit in de compositie valt des te meer het doffe van de acrylverf op. Maar opvallend genoeg gaat die dofheid haar eigen leven leiden. De kunst is dan bij acryl om met dunne lagen te werken. Zeker, met olieverf zou zoiets gaan stralen maar acryl heeft hier duidelijk zijn eigen kwaliteiten. Bij acryl ´broeit´ de kleur meer dan dat hij straalt.

Meer nadrukkelijke ruimtelijkheid zit er in een paarsig drieluik uit 1985. De ruimtelijkheid spreekt niet alleen uit de plaatsing van het linkerluik tegen de vloer maar ook uit het verspringen van de onderkanten van de drie luiken naar rechts toe. Het linkerluik lijkt een voorgrond en het rechterluik een achtergrond voor het grote middenluik. De buitenluiken geven daarmee vol de ruimte aan het warme paars van het middenluik.

“Composition bleu foncé” uit 1985 lijkt helemaal over ruimte te gaan. Hier speelt Wéry een nog ingewikkelder spel met ruimte en perspectief. En ook weer met kleur. Let op het intens blauwe luik dat het dichtste bij de muur staat. Blauw is zo´n beetje de moeilijkste kleur van het palet omdat het enorm transparant is. Het heeft dus een goede ondergrond nodig of een goede vermenging met een ander pigment of beide, wil het tot zijn recht komen. In deze compositie werkt het allemaal op wonderlijke wijze, de kleur, de ruimte en het perspectief.

Ook wonderlijk werkt een compositie uit 1988 op hout en mdf. Alleen al de opvallend lage plaatsing geeft het tweeluik een compleet eigen karakter en geeft bovendien karakter aan de muur en de ruimte zelf.

Is het blote hout in de compositie van 1988 al te zien als speler tussen de kleurvlakken, in composities uit het begin van de jaren negentig is het hout als het ware losgezongen van de beschilderde panelen. Het is enigszins vergelijkbaar met hoe gekleurd en gevlamd marmer werd en wordt gebruikt. In twee vierluikjes uit 1992 wordt harmonie gezocht tussen het naakte hout en de meer en minder stralend beschilderde panelen. En in beide vierluiken lijken de panelen dan ook onafscheidelijk bij elkaar te horen.

Het is alsof met de nerven van het hout Wéry ritmes herontdekte, zoals in twee paneeltjes uit 1993. Tegelijk komen ook de natuurlijke eigenschappen van de verdunde verf hier opnieuw tot leven.

Dat laatste blijkt ook uit “Petite série bleue” uit 1995. Hoe je ook voor dit veelluikje staat, je kunt niet vermijden te zien dat de verf langs de zijkanten van de doekjes gelekt is. Het lijkt enerzijds op een soort bekentenis: kijk maar, dit is gewoon met vloeibare verf gedaan. Maar het doorbreekt ook het etherische, dat constant op de loer ligt bij dit soort werk.

Die meer aardse trend lijkt doorgezet te worden wanneer Wéry niet hout of doek maar aluminium als drager voor haar werk gaat gebruiken. De gladde weerbarstigheid van het materiaal maakt de vloeibaarheid van de verf extra zichtbaar. Waar hout altijd nog een beetje lijkt te absorberen, doet aluminium dat absoluut niet. In een werk op aluminium uit 1998 is het of het leven, dat altijd wat gebroeid heeft achter de verf, nu plotseling naar buiten komt.

Maar dat gebeurt niet alleen op aluminium maar ook in een klein werkje op paneel, ook uit 1998. Een opvallend werkje, ondanks zijn geringe omvang, want het lijkt of ritme, kleur, licht en materiaal in één keer samengebald worden.

Niettemin lijkt Wéry eind jaren negentig het aluminium als drager echt voor zichzelf ontdekt te hebben. Dat blijkt uit een andere, vrij grote plaat uit 1998. Een foto van dit werk doet er voor meer dan 95 procent te kort aan.

Een waar klapstuk op de tentoonstelling is de “Monochromen zonder titel” uit 1998 – 2000. Het is wonderlijk hoe in dit veelluik op aluminium de platen elkaar aanvullen. Meer dan in oudere veelluiken wordt disharmonie gebruikt om het tegenovergestelde te bereiken. In het geheel lijkt zelfs een zekere anekdotiek te ontstaan.

Het werk van Wéry was voor mij behoorlijk nieuw. Ik had haar naam en werk wel eens voorbij zien flitsen zonder er verder bij stil te staan. Dit retrospectief biedt een ruime mogelijkheid een dergelijke lacune te overbruggen. Het is bovendien een goede gelegenheid voor reflectie tussen het geweld van Lüpertz en de ZomerExpo in het zelfde museum.

Maar ik had ook mijn bedenkingen. Want waar eindigt een proefneming anoniem en karakterloos te zijn en waar begint het een sprekend kunstwerk te worden? Het streven naar minimalisme enerzijds en de wonderen van pigment en licht op esthetische en bijna lyrische wijze willen laten zien anderzijds, vereist een sterk evenwicht. In haar beste werken bereikt Wéry dat evenwicht. Daar zijn haar werken geen proefnemingen meer, maar karakters.

Bertus Pieters

 

Reacties

 

Age  zegt:
augustus 17, 2011 at 17:30

Dag Bertus,

Ik heb naar je bericht gelinkt en eruit geput (als het goed is, leidt klikken op mijn naam naar mijn posting) in mijn voortgaande en beginnende uiteenzetting met minimalisme en geometrisch abstracte kunst. Anders bij deze: http://ageszagen.wordpress.com/2011/08/14/moeder-op-bed-kiefer-aan-de-wand/#more-11836

Ik zie een zekere analogie in onze reacties, waarbij ik echter aan de afwijzende kant sta (en besef over te reageren) en jij veel sympathieker tegenover Wéry lijkt te staan.

Ben benieuwd of jij die analogie ook zo ervaart of toch veel meer afstand voelt tot mijn roep om ‘werkelijkheid’ in de kunst.

En als strikvraag voor jou: als kunst als die van Wéry niet ‘etherisch’ mag zijn, wat dan nog wel wel: aardig voor het oog?

Ik neem aan dat je niet iets zult beweren als “zulke kunst houdt de hoop levend op een betere wereld”.

Indien dat inderdaad zo is, wat houd je dan nog over, buiten ‘decoratief’, ‘mooi om naar te kijken’?

Met vriendelijke groet,

Age

 

 

Bertus Pieters  zegt:
augustus 18, 2011 at 16:17

1. Ik zie geen analogie in onze reactie. Jij verlangt iets van de kunst. Ik ga ervan uit dat de kunst iets van mij verlangt. Wat me er overigens niet van weerhoudt kritisch te zijn.
2. Wie zegt dat er geen werkelijkheid zit in de kunst van Marthe Wéry? Het hangt daar toch in het museum werkelijk te zijn? Het stelt zich daar toch nadrukkelijk bloot aan licht en ruimte en doet daar iets mee?
3. Ik zeg nergens dat het werk van Wéry niet etherisch mag zijn. Wel vind ik dat er bij werk dat zich met heel fundamentele beeldende middelen bezighoudt, een balans gevonden moet worden om het werk doel te laten treffen. (Het doel is steeds met de kunstenaar mee te kijken en gefascineerd te raken door wat de kunstenaar fascineerde. Die kunstenaar wil laten zien dat er onder zijn/haar handen iets bijzonders gebeurd is.)
Met het vinden van die balans heeft Wéry hier en daar duidelijk geworsteld. Je ziet ook dat haar blik zich in haar werk door de jaren heen voortdurend verplaatst en steeds weer opnieuw zoekt naar die balans.
Als dat de bedoeling is van dat werk, wie ben ik dan om er wat anders van te verlangen?
4. “Zulke kunst houdt de hoop levend op een betere wereld”. Voor een dergelijke uitspraak zou ik nooit verantwoordelijk kunnen zijn; hooguit “kunst houdt de hoop levend dat er een wereld is die ervaren wordt”, maar zelfs dat is me al te zweverig.
5. Tot slot: als je ergens te snel langs loopt, heeft het weinig zin erover te oordelen.
Vriendelijke groet,
BP

 

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: