Skip to content

ZomerExpo in het Haagse Gemeentemuseum: een kleine keus uit een grote keus.

5 oktober 2011

Oorspronkelijk geplaatst op 30 juli 2011

In het Haagse Gemeentemuseum is momenteel de Zomerexpo 2011 te zien, een overdadige tentoonstelling met uiteenlopend werk van de meest uiteenlopende kunstenaars.

Hoe maak je zo´n tentoonstelling? De wijze van selectie was van een ontstellende eenvoud. Op drie plaatsen in Nederland kon werk aangeboden worden door kunstenaars, professionals en amateurs. Het werk werd niet door de kunstenaars zelf en ook overigens anoniem gepresenteerd aan een deskundige jury. Die moest ter plekke in meerderheid steeds binnen 15 seconden per kunstwerk beslissen of een werk in de voorselectie kwam. De gekozen kunstwerken werden vervolgens weer anoniem gepresenteerd aan een jury die de finale keuze maakte.

Het resultaat is een welhaast feestelijke tentoonstelling. In de grotere zalen hangen de werken boven en door elkaar tot hoog aan de wand. Bij een enkel werk levert dat zichtproblemen op, doordat het licht reflecteert in het glas voor het kunstwerk.

Wat afgewezen is, is me natuurlijk niet bekend, maar de keuze lijkt me een redelijke en er is opvallend veel werk te zien dat de moeite meer dan waard is. Hoewel er hier en daar werk hangt waarvan je zou wensen dat de kunstenaar nét een paar stapjes verder was gegaan, zijn er ook een aantal prachtige uitschieters te zien.

Wat wel opvalt is een zekere vervaging van de grens tussen fotografie en schilderkunst. In veel schilderijen zie je de verworvenheden van de fotografie terug en in veel foto’s kom je de schilderkunst weer tegen. Wat dat laatste betreft gaat het niet om het postmoderne citeren of toe-eigenen. Dat is onderhand een hinderlijke vorm van koketteren geworden, waarbij kennis van de klassieken der schilderkunst een soort brevet van competentie voor een beetje fotograaf is geworden. Gelukkig, niets van dat op deze tentoonstelling.

Wel  kun je in een foto van Ab Borg nog een echo van De Stijl zien. Maar dat lijkt me nauwelijks koketteren te noemen. Deze foto is fotografisch in dat hij alle toevalligheden van plaats en moment toont. Een goede fotograaf ziet de harmonie en disharmonie in wat hij binnen de kaders van zijn lens krijgt.

Maar een fotograaf heeft naast zijn lenskader net als ieder ander ook een referentiekader, dat het oog beïnvloedt in wat het mooi of lelijk en betekenisvol of onbetekenend vindt. Dat het werk van Mondriaan tot het gedachtegoed van Borg hoort is te zien aan wat hij hier toont. Dat de foto verder ook heel schilderkunstig aandoet, komt niet alleen daardoor maar ook omdat er veel verf in de voorstelling zit. Sowieso natuurlijk de blikvanger van het felle rode vlak, dat alle aandacht naar zich toetrekt. Dat rood komt zachtjes terug in de linkerkant van het blik, in het plastic op de grond en in de weerspiegeling in het bandenspoor. Dat soort kleurreflecties zijn zaken die ook gretig gebruikt zouden worden door een schilder. Tel daarbij op het oker van de grond dat in een vlak boven aan de muur terugkomt, de zware blauwe accenten links en rechts en het licht dat vanuit het wit lijkt te stralen en je schilderij is compleet. Impressionisme en geometrische abstractie in één! Borg is blijkbaar een fotograaf met een schildersoog.

Of ís een fotografisch oog gewoon een schildersoog? Er is maar weinig fotografie te zien op deze tentoonstelling die dat ontkent.

Sjoerd van Oevelen en Elodie Hiryczuk goochelen met perspectief die de ruimte lijkt te betoveren. Het doet sterk denken aan de proefnemingen met perspectief van schilders uit de vijftiende eeuw. Daar ging het meer om het kijken zelf dan om het schilderkunstige kijken. Is onze manier van kijken (en daarmee de fotografische manier van kijken) vertekend door het schilderkunstige geklodder dat opkwam met de oliefverf? Of is er een oudere manier van kijken die lag in de periode van perspectief onderzoek in de vijftiende eeuw? Met de perspectivische vertekeningen dragen Van Oevelen en Hiryczuk in hun werk bij aan een contemplatieve sfeer waarbinnen gedachten en ideeën een eigen leven gaan leiden.

Fotowerkelijkheid, collage en beeldregie lopen door elkaar in de “Punkprinses” van Alice Wielinga. Kostelijk gedaan met een herkenbare manier van vertellen. De Punkprinses met de gelikte kleuren van plezier en succes staat er radeloos bij in een grauwe, saaie en grimmige wereld. Is die wereld werkelijk zo grimmig? Of wordt die zo grimmig ervaren door de hoofdpersoon. Het licht afwijkende perspectief van de hoofdpersoon ten opzichte van haar omgeving en de scherpte van haar contouren maken dat zij in een droomlandschap lijkt te staan. Een landschap dat enerzijds realistisch is, anderzijds om de punkprinses heen lijkt te zweven.

Een werk waarin perspectivische werking, geometrische abstractie, schilderkunstige aandacht voor kleuraccenten en het vastleggen van een sfeerbeeld prachtig samenkomen is “Amsterdam Central Station (Tactile Paving I)” van Roberto Voorbij. Ook de vergroting doet wonderen met dit werk. Het heeft zo’n alledaagse uitstraling dat er misschien makkelijk aan voorbij gelopen wordt, maar wat mij betreft is dit een hoogtepunt in de expositie. Reflecties kleuren, vlekken kauwgom, vochtige, grijze tegels, de dwingende, witte T vorm, de twee onregelmatige bruine putdeksels die beeld uit zijn harmonie trekken. Daarbij is de verticale, ronde paal rechtsboven een gratuit die het geheel compleet maakt.

Op deze tentoonstelling lijkt de fotografie ook niet meer weg te denken uit de schilderkunst. Neem het werk van Niels Smits van Burgst. Duidelijk werk van iemand die van lekker schilderen houdt, iemand die het licht door de kleur heen laat kolken. De voorstellingen zelf lijken gebaseerd op weinig briljante foto’s. Achteloosheid lijkt er welig te tieren, en ook veel ongeorganiseerde rommel. Maar het wordt bij Smits van Burgst allemaal opgezogen in een welhaast erotische schildersroes van licht, kleur en verfstreken. Meubels, paperassen en andere zaken krijgen daardoor net zo veel betekenis als de personen in deze schilderijen. Misschien zelfs meer.

Johan Wobbes’ “Adam in de boom van kennis van goed en kwaad” heeft een onmiskenbare erotische inhoud. Maar het is niet specifiek erotisch geschilderd. Er lijkt eerder vrij stug geschilderd als om de aandacht niet af te leiden. Er is ook geen licht of schaduw om iets te benadrukken. Alleen de donkere druiventrossen zorgen voor dieptewerking in de boom en zij lijken de rest van het fruit met zich mee te trekken. Er wordt een diepere ruimte gesuggereerd door de stad aan de horizon met een schijnbaar barokke kerk. Adam straalt, behalve zijn naaktheid, verder ook weinig erotiek uit. Hij kijkt ook wat stug. Hij lijkt klem te zitten in de boom, zich onbewust van alle verleiding om zich heen. Er is ook geen Eva in de buurt om hem daar op te wijzen. En ook is hij zich blijkbaar niet bewust van de rijke stad op de achtergrond. Het geheel doet zowel komisch als serieus aan in een vreemde mengeling van stugheid en kleurrijk fruit.

Waar je Wobbes wellicht wat meer schwung in de schilderspols zou wensen, is daar bij “Dream Hopper” van Borg de Nobel geen gebrek aan. Het knuffelachtige konijnwezen, links in het schilderij, lijkt een soort schaduw te hebben in de rechterhelft van het schilderij. Maar de schaduw blijkt op het tweede gezicht toch een heel andere vorm te hebben, met bovenaan twee mysterieuze blauwgrijze wolkjes. Afgezien van die wolkjes is eigenlijk de gehele rechterkant van het schilderij min of meer monochroom. Om dat soort monochroomheid in stand te houden en een duidelijke rol te laten spelen in een schilderij is altijd een waagstuk. Kleur is meestal de dood in de pot voor min of meer monochrome structuur. De Nobel blijft dan ook overal gedempt met haar kleuren. Grauwig beige, grauwige oker en grijsblauw overheersen. Daardoor valt des te meer het kleine beetje oranjerood op in de snorharen van het konijn en in de vlek daar vlak naast. Dat oranjerood geeft iets scherps aan het hele beest en het zorgt dat het koude blauwgrijs des te harder spreekt. In feite leeft het hele schilderij op dat rode vlekje.

Wat mij betreft is de grote ontdekking van deze expositie het werk van Robert Lambermont. Twee werken van hem zijn er te zien: “Oase” en “Horizon”. Beide zijn kinetische werken. Zaken die maar blijven draaien op weerbarstige manier. Het ritme van het voortbewegen van beide dingen werkt, op mij althans, bedwelmend. Beide voorwerpen bewegen gestaag en Lambermont heeft zijn zaken technisch dus goed voor elkaar. Toch is er niets gelikts of glads aan dit werk. Beide objecten lijken slechts ongegeneerd, want tegen wil en dank, te werken. Gewoon, omdat het bij hun karakter hoort. Ze zijn nu eenmaal zo.

Het sterkst komt dat naar voren bij “Horizon” waarin de rubberen wieltjes onder stugge weerstand maar door blijven draaien. Daarmee laten zij de horizontale stangen schuin op en neer deinen, maar bepaald niet vloeiend. Het heeft iets weg van hulpeloze sisyfusarbeid.

Het object “Oase” beweegt sneller en zelfs vloeiender dan “Horizon”. Maar dat vloeiende is weer eerder een kwestie van karakter dan van esthetica, zo lijkt het. Speelt bij “Horizon” de factor kleur nog een soort onderhuidse rol (Lambermont zou een wezenlijk ander ding gemaakt hebben als de draaiende stangen niet van metaal waren en als de wielvelgjes niet rood waren geweest) bij “Oase” kun je niet om het wat morsige maar ook overdadige groen heen. En het is niet alleen de kleur groen maar ook de substantie (plantenprikschuim) die overheerst en het object een heel organisch karakter geeft. Het hoekige van de vormen wordt doorbroken door het groene plantenprikschuim. Het zicht wordt nog verder ontnomen door de groene stoffige substantie tegen de ruiten van de vitrine. Dat geeft nog meer de indruk van een wezen dat in zijn eigen wereld zit opgesloten en daar maar doordoet zonder te weten waarom. Beide dingen maken benieuwd naar meer werk van Lambermont.

Van een heel andere orde is Mathilde Hemmes’ “Babyjasje van kuikentjesbont”. Je merkt het aan de bezoekers: het ding choqueert. Het jasje is daarbij wellicht niet vrij van sociaal engagement. Maar er is meer dat wringt, juist omdat het dicht bij elkaar ligt. Jonge beestjes lijken geofferd om een ander jong wezentje te gerieven. De chic-heid van het geheel geeft sterk de indruk dat de kuikentjes specifiek voor dit jasje gedood zijn, sterker, er speciaal voor gekweekt te zijn. Maar er is in feite niets bekend over het ontstaansproces van het jasje. Dagelijks worden er zoveel eendagskuikens gedood, en waarom zou je de velletjes niet gebruiken? Nu zouden alleen de velletjes wellicht niets anders dan een korte glimlach van herkenning opleveren of misschien een wat geërgerd schouderophalen. Maar de kuikenkopjes in de kraag veranderen het beeld radicaal. Hier volstaat glimlachen noch schouderophalen. Want met de kopjes doet de dood nadrukkelijk zijn intrede in het werk en dat roept automatisch meer weerstand op. Zeker wanneer het in verband wordt gebracht met een baby. De satijnen voering en het luxe koffertje geven het werk bovendien een lugubere maar verleidelijke uitstraling.

Naast de kuikentjes en de “Dream Hopper” zijn er meer dieren te bewonderen op de expositie. In “Verdwaald landschap”, een prettig grote tekening van Egbarta Veenhuizen, zitten twee haasachtigen niet bepaald heel parmant in een landschap dat ook niet echt op een vreedzaam knollenland lijkt. De twee grote hazen lijken een soort speelgoed te zijn, blijkbaar van hout, wel beweegbaar maar bepaald niet knuffelbaar. Het is niet duidelijk of de houten hazen sympathiek van aard zijn of kwaad in de zin hebben. Er lijkt alles uit deze unheimische wezens voort te kunnen komen. Dat wordt nog benadrukt door hoe de ene haas over het witte konijntje heen gebogen staat.

Maar mooier is misschien nog dat niet slechts het plaatje hier telt maar vooral ook hoe het plaatje is gemaakt, hoe het verhaal verteld wordt. In een grote tekening waar het wit van het papier zo nadrukkelijk aanwezig is, is het eigenlijk verwonderlijk hoeveel verschillende tekentechnieken gebruikt zijn. Kijk naar de robuuste manier waarmee de contouren van de hazen getekend zijn, hoe fraai de kop van de zittende haas is uitgewerkt, met de grijsblauwe pupil in het oogwit en de quasi-glimlachende bek. Kijk naar de vreemde gegumde structuren in de contouren van de gebogen haas en het witte konijntje eronder. Maar zie ook het verschil tussen de hooiachtige hoop waar de linker haas op zit en de subtiele krasjes in de witte grond eromheen, het prachtig diepe perspectief naar de heuvels in de achtergrond, die besneeuwd lijken, en het plotselinge grijs van de heuvels die daar weer achter liggen en het blauw daarboven als slotaccent. Het aardige is dat dit alles vrij onnadrukkelijk gebeurt. Het accent ligt niet op de techniek, maar die techniek is in feite overal aanwezig in de tekening en leidt tot een wonderlijk geheel.

Bij het werk “Sin” van Dieuwke Spaans (momenteel ook te zien in het Schiedamse Stedelijk museum) komen we weer terug bij de fotografie, zij het nu in de vorm van collage.

Het werk wordt overheerst door een bonte ‘vogelboom’. Op en aan de takken zitten, naast vogels, uiteenlopende plantaardige bloei- en groeiwijzen. En naast de knoppen, bloemen en bladeren hangen er ook enige mensenkopjes als verborgen (en gezien de titel: verboden?) vruchtjes aan de takken. Wat de vogels daar nu precies te doen hebben in die boom is niet duidelijk. Ze zijn er gewoon, kleurrijk en fladderig.

Maar een wisselwerking met de gedempte achtergrond met oorlogsfoto’s dringt zich al snel op. Overheersen aanvankelijk de bijna hoorbare vogels, wie verder de achtergrond in kijkt, hoort het gebulder van kanonnen en ziet soldaten en lijken. Boven aan het werk blijkt er opvallend meer interactie tussen voor-  en achtergrond. Bijna ongemerkt voegt zich linksboven een bommenwerper tussen de vliegende vogels, rechtsboven lijken vogels met hun gefladder een bominslag te verhullen (of schrikken zij juist?) en middenboven zit een vogel in een boom die bij de achtergrond hoort. De vogel is ook tot achtergrond vervaagd. De boom zelf, waar twee soldaten in klimmen, lijkt, als top boven op de ‘vogelboom’, een soort klein beeldrijm daarvan.

Natuurlijk is er meer opvallends te zien op deze Zomerexpo maar een goede keus kun je altijd zelf het beste maken. Dat geldt voor mij, maar dat geldt ook voor U.

Er hangt veel en het hangt er goed.

 

Bertus Pieters

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: