Skip to content

Lopen in de verbeelding met Zilvinas Landzbergas in TAG, Den Haag

28 april 2012

De tentoonstelling van Zilvinas Landzbergas (1979)  in het Haagse TAG heet ‘Sunset’. Bij de term sunset doemen beelden op van bleek kauwgomroze tot diep rood waarin we, in een totaal verkitschte of juist adembenemend exotische setting, afscheid nemen van de dag. We maken ons op voor de nacht waarin alleen de verbeelding nog een rol kan spelen.

Als een decor begint de tentoonstelling met de genoemde Sunset, een decor van zuurstokrood met circusachtige letters. Voor het decor staat slechts een fonteintje en in het decor gebouwd is een kleine tap met uitnodigende plastic bekertjes, naar verluidt voor wijn. Decors zijn er om iets vóór te laten gebeuren. Maar bij Landzbergas is dat anders: áchter het decor gebeurt het juist. Daar begint de verbeelding, niet alleen die van de kunstenaar maar ook nadrukkelijk die van de bezoeker.

De ruimtes van TAG lenen zich uitstekend voor het werk van Landzbergas: via de korte toegangstrap wordt de verbeelding betreden. Er is altijd een kleine barrière om de verbeelding binnen te komen.

Iedereen kent de verbeelding: die innerlijke metawereld waar het bewuste, het onbewuste en het onderbewuste vrij spel hebben en door elkaar lopen. Herinnering en associatie spelen daarbij een belangrijke rol. In ‘To my homeless god’ lijken we ons in een schemerig studeervertrek te bevinden. Maar de gebruiker is vertrokken of, op zijn best, in de geest aanwezig. Aan de ene wand staat een bureau met een leeslamp en boeken.

De muur waar de denker in gestaard heeft, is donker en daar zit een vogeltje, opdoemend als uit de gedachten van de kijker. Rechts van het bureau op de vloer kronkelen twee slangen. In de houten rekken die het studeervertrek afscheiden van de verdere ruimte liggen uiteenlopende voorwerpen. Aan de ene kant geometrische vormen met daarboven letters, overeind gehouden in een netwerk van takken en een diabolovorm, een zandloper. Aan de andere kant staan en liggen objecten in de vorm van een hand, een beestenkop, letters, geometrische vormen etc.

Wie zich voorstelt dat de denker met het hoofd in de richting van het bureau zit, ziet aan de andere wand het grote, zwarte vlak, waar met wit tekeningen op gemaakt zijn en waar zaken aan hangen. Dit alles als een wand van gedachten. Weer zijn daar de geometrische vormen en de dierenkoppen – van een wolf? van een vos? –.

En er is een cartouche met ‘MY’. Het hangt daar bij elkaar als een ruimte van gedachten.

Één ding is duidelijk: alle vormen zijn van hout, behalve een paar boeken, maar papier is uiteraard ook een houtproduct. En verder kan natuurlijk zonder meer gesteld worden dat hier nooit een geleerde, humanist of een andere denker is geweest aan wie deze studiolo toebehoorde. De kijker, de bezoeker, is zelf de gebruiker van dit wonderkabinet, waarin houten reminiscenties van onze beschaving en onze verhouding tot de natuur staan, liggen en hangen. De kennis is terechtgekomen in boeken die zelf weer objecten zijn geworden. De vogel als idee van vrijheid en levendigheid is verworden tot een houten cliché. De angst en dreiging zijn verworden tot twee slangen van hout

en de hand die we onszelf kunnen reiken, of die ons door een god gereikt kan worden, is ook van hout. Het heeft alles iets doornroosje-achtigs, zij het dat hier niets meer levend wakker zal worden, behalve ons voorstellingsvermogen dat hier in de schemering nog rondjes kan draaien.

In meerdere opzichten verlichter lijkt ‘For Ever Again’. Geen wonder, want de benedenruimte waar het werk zich bevindt is meer verlicht dan de andere ruimtes. Niettemin lijkt het ook definitiever. Definitiever in dat het absoluut geen antwoorden waar dan ook op wenst te geven. Het is of we in het diepste en meteen het meest verlichte van onze hersentempel zijn gekomen, maar dat juist het allerheiligste het poverste is.

Alles refereert aan iets bekends maar niets is zichzelf. De twee verschroeide boomstronken zijn duidelijk geen verschroeide boomstronken.

In de plas op de vloer komen we onszelf tegen, het is dan ook een spiegel.

Wat doet denken aan een besneeuwd berglandschap tegen een donkere achtergrond zijn bamboegordijnen, waar je achterlangs en tussendoor kunt lopen als tussen doorzichtige coulissen.

En om de ontaarding compleet te maken hangen er aan de andere muur zes lampjes in de vorm van Disney-achtige, kleurige vogelkoppen met hoedjes op.

De ordening van de verschillende onderdelen in deze ruimte maakt de eigen aanwezigheid van de kijker des te nadrukkelijker. Het is als een doolhof, maar alleen van de verbeelding, want alles is overzichtelijk en transparant. De verlichting is absoluut, nergens is schaduw of schemering. De zes vogellampen geven licht, maar dat is dan ook het enige wat ze doen. Eerder sprak ik al van een hersentempel, maar dan is het een tempel zonder heilige relieken. Het is of Landzbergas hier uiterste moeite heeft gedaan de bezoeker alle ruimte en licht te geven voor verbeelding en het wonder van de dingen die in al hun stoffelijkheid eigenlijk geen enkel wonder in zich kunnen dragen.

Het schemerige To my homeless god en het verlichte For Ever Again zijn treffend in hun tegenstellingen. In To my homeless god zijn de objecten houten, bijna clichématige herinneringen, schimmen van wat we dachten dat concreet was. Er is een zekere ordening in de objecten aangebracht als in een studeerkamer. Er wordt een samenhang tussen alles gesuggereerd en toch lijkt alles onverwacht op te treden. In For Ever Again lijkt de systematische samenhang en ordening tussen de objecten helemaal weg. Maar als bezoeker voel je, ertussendoor lopend, de spanning tussen de verschillende onderdelen. Waar in To my homeless god de schemering en de hoeveelheid objecten uitnodigt meer te ontdekken, biedt For Ever Again volslagen helderheid, waarbij de spaarzaamheid immense ruimte geeft aan de verbeeldingskracht van de bezoeker.

Maar in beide werken lijken de materiële zaken overigens in een eindstadium beland. Geen andere ontwikkeling wordt geboden dan het laten werken van de verbeeldingskracht van de bezoeker. Daarmee geven deze werken een essentieel aspect weer van de beeldende kunst. Het materiële kunstwerk is immers altijd een eindstadium dat verder alleen nog aan het geestelijke, de verbeelding onderworpen kan worden. Maar in deze werken lijkt dit aspect juist een hoofdonderwerp te zijn.

In de achterruimte, tussen de boven- en benedenruimte, zijn nog twee kleinere werken opgesteld. ‘Seven Lies’, dat zich laat interpreteren als een grote vanitas,

en ‘Fire Song’, een animatie-videoloop. Door het herhalende karakter van de animatie, en door het feit dat er geen duidelijk begin of einde aan zit, wordt ook hier de idee van iets definitiefs gesuggereerd. Sterker, er wordt een cyclus gesuggereerd waar we als kijker niet meer uit kunnen komen. Hier moet de verbeeldingskracht dus op zijn hoede zijn. Onze verbeeldingskracht stelt ons tot veel in staat, onder anderen het maken van animaties en de interpretatie ervan, maar het brengt ons niet nader tot de dingen, in de zin dat we het ding zelf nooit kunnen kennen (in de zin van Kant), maar dat betekenissen ervan ook altijd alleen rond een centraal punt kunnen cirkelen, maar dat nooit daadwerkelijk zullen bereiken.

Dat klinkt misschien defaitistisch. Maar is het niet juist de verbeelding die steeds weer uitgedaagd moet worden om ons steeds weer verder te laten bewegen op en rond deze planeet?

Bertus Pieters

Zie hier een kort verslag van dezelfde tentoonstelling op Trendbeheer.

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: