Skip to content

Zuid Afrika in Den Haag: Den Haag Sculptuur 2012 / Beelden aan Zee

3 juli 2012

Den Haag Sculptuur pakt dit jaar samen met Museum Beelden aan Zee uit met sculptuur uit Zuid Afrika. Dat gaat onder de banier van The Rainbow Nation.  Zuid Afrika presenteert zich graag aan het buitenland als de regenboognatie, waar volken van verschillende historische komaf, met verschillende huidskleuren, talen en gebruiken naast en met elkaar leven in een land met uiteenlopende landschappen en een adembenemende natuur. Iedereen kent de recente politieke geschiedenis van Zuid Afrika in grote lijnen wel: Zuid Afrika zuchtte onder het juk van de apartheid, maar in 1990 werd Nelson Mandela vrijgelaten, de apartheid werd afgeschaft en in 1994 werd Mandela president; het land kreeg een voor Afrika ongekend liberale grondwet en de dictatoriale blanke minderheid is verstoten uit het politieke centrum van de macht.

Dat klinkt als een paradijs op aarde, maar dat is Zuid Afrika (natuurlijk) niet. Er is naast ongegeneerde rijkdom ook veel mensonterende en chronische armoede, ondanks het begraven van de apartheid en grootse pogingen tot verzoening wordt het spook van racisme nog te pas en te onpas opgeroepen, naast morele scherpslijperij is er ernstige corruptie, naast vreedzaamheid is er sprake van veel geweld in de Zuid-Afrikaanse samenleving en zo kunnen er nog veel meer of minder pijnlijke tegenstellingen genoemd worden.

Wie die tegenstellingen wil overbruggen, zal ze eerst bloot moeten leggen. Dat is niet altijd een dankbare taak. Zeker niet voor kunstenaars die zich daarin vastbijten. Er worden door kunstenaars soms schrille tegenstellingen of beschamende situaties blootgelegd. Wanneer dergelijke kunst in het middelpunt van de belangstelling komt, blijkt dat de Rainbow Nation een vat vol tegenstrijdigheden, intolerantie en sluimerend geweld kan zijn, zoals onlangs bleek bij het op z’n zachtst gezegd nogal kritische schilderij The Spear van Brett Murray. Het werk kwam in de publiciteit vanwege een klacht van de staat tegen het tonen ervan en vervolgens door het besmeuren van het werk. Gezegd kan worden dat Murray er in ieder geval in geslaagd was tegenstellingen in de Regenboognatie bloot te leggen.

Murray is niet vertegenwoordigd in de tentoonstelling, maar een politiek en maatschappelijk geïnspireerde kunstenaar die vanaf het begin van het post-apartheid-tijdperk wat dat betreft een welhaast onaantastbare status had, is Jane Alexander (1959). Haar werk is te zien in Beelden aan Zee. Alexander werd bekend met haar werk Butcher Boys (1986), vervaardigd nog vóór de grote omwenteling. Na die omwenteling werd het een monument tegen het ontmenselijkende geweld van de apartheid en het kwam terecht in de South African National Gallery. Sindsdien kan niemand meer om het werk van Alexander heen.

Toch bleek ook haar werk recentelijk niet vrij van controverse: de Afrikaner rapgroep Die Antwoord gebruikte verbeeldingen van de Butcher Boys in een filmpje. Dit werd Alexander, die er normaal het zwijgen toe doet, te gortig en zij ging ervoor naar de rechter. Dat bracht behoorlijk wat verontwaardiging teweeg in Zuid Afrika. Alexander zou niet met haar tijd meegaan; haar Butcher Boys waren immers een monument tegen de apartheid en die was allang afgeschaft en verleden tijd. Dat de Butcher Boys ook opgevat kunnen worden als een algemeen kunstwerk dat over geweld gaat, ontging de band en zijn fans blijkbaar een en andermaal, zo min als dat de apartheid als trauma nog steeds doorwerkt.

Dat het werk van Jane Alexander van deze tijd is, en wellicht van meerdere tijden, blijkt uit haar sculpturen in Beelden aan Zee. Alles lijkt zich bij Alexander vooral onderhuids af te spelen. Dat geldt sowieso voor Stability Unit (1994 – 2012), een figuur juist op het moment dat hij vanuit zijn anonieme geborgenheid wordt opgeschrikt. Maar wie is hij zelf? Schuilen er horens of ezelsoren onder de zak op zijn hoofd? En waarom mogen we die niet zien, terwijl hij overigens naakt is? Is hij een kwade genius die uit zijn sluimer opschrikt in de angst geslachtofferd te worden? Onder de herkenbare expressie schuilt een meerduidigheid die ongemakkelijkheid bij de kijker oproept, maar misschien ook erbarmen, waar dan ook mee.

Ook de recente installatie, samengesteld uit drie werken, Pastoral Security (2004 – 2012), maakt indruk. Desolaat staat dit werk buiten in de kale patio. Deze installatie kan onmogelijk alleen maar met het verleden en de apartheid te maken hebben. Zijn directheid maakt dat onmogelijk. Het geeft een beeld van zowel verleden als heden van Zuid Afrika, maar ook van elders. Alexander heeft niettemin een humane blik op de mensheid; een mensheid die weliswaar niet op haar verheffendst getoond wordt maar die wel erbarmen afdwingt.

Het werk van David Brown (1951) kan ook makkelijk als politiek omschreven worden. Ook bij Brown zijn angst, geweld en ontmenselijking, het trauma van jarenlange onderdrukking, aan de orde. Maar bij hem is er geen sprake van erbarmen. Domme, blinde machtswellust ontmenselijkt ook bij Brown, maar wordt niet dierlijk. Alle figuren van Brown zijn mensen. Zoals de Eleven Deadly Sinners (2008 – 2009) in Beelden aan Zee. Hun ogen zijn gesloten of bedekt, soms missen zij ledematen maar lijken daar niet onder te lijden, en soms zijn hun geslachtsdelen (het zijn allemaal mannen)  gezwollen van machtsgeilheid.

toch lijkt het gevaar van al deze figuren goeddeels geweken. Hun kracht is hun domheid en kortzichtigheid, maar dat is tevens hun zwakte. Zoveel zegt in ieder geval The Last Hatted Autocrat (2009), tentoongesteld op het Lange Voorhout. Alleen al de titel leidt tot een zucht van verlichting, bij het zien van deze ooit vervaarlijke figuur. Zijn penis ligt in de knoop, hij kan niet meer doelgericht schieten en hij staat op wankele benen op een karretje waarmee hij ieder ogenblik afgevoerd kan worden. Geweld is tot satire geworden.

Ook Willie Bester (1956) is een kunstenaar die rond het einde van de apartheid dusdanig overtuigde dat men niet meer om hem heen kon. Ook hij is een kunstenaar in wiens werk maatschappelijke en politieke kritiek belangrijke inspiratiebronnen zijn en bovendien is hij één van de grote namen van de hedendaagse Zuid-Afrikaanse kunst. Bester voelt dat het apartheidstijdperk nog steeds open wonden heeft nagelaten. Zo is Trojan Horse (2007) gebaseerd op een gebeurtenis uit 1985 in Athlone, Kaapstad, waarbij een anonieme vrachtwagen vol bleek te zitten met gewapende politie, die midden in de wijk tevoorschijn kwam en om zich heen begon te schieten om de opstandige bevolking onder de duim te houden. Niettemin zegt het werk zonder die wetenschap al veel. Het doet denken aan ruiterstandbeelden van machthebbers, zoals we die kennen, maar dan zonder ruiter. De macht is geheel in het paard gaan zitten en als kleine pionnetjes bevinden zich onder hem de soldaatjes. Wie beheerst hier wie?

Bester werkt in zijn sculpturen vooral met schroot en gebruiksvoorwerpen. Hij is daarmee een gewiekste collagemaker die in een werk als Trojan Horse geen detail onbenut laat om het beeld zo krachtig mogelijk te maken. Hetzelfde geldt voor Crossing the Line (2007), dat kernachtig bij de ingang van Beelden aan Zee staat. Met trots steekt hier een figuur (een tanige vrouw? Een als vrouw verklede tanige man?) een spoorlijn over met de verworvenheden die haar zijn toegevallen: schoeisel om nog lange afstanden te kunnen lopen, een gele jurk om het magere lijf te beschermen, de smalle taille bijeengehouden door een pronte riem, een bril om de wereld duidelijk te kunnen zien en de omgeving te kunnen lezen, de overige bezittingen op het hoofd en vooral met een brede glimlach. Zij steekt de Zuid Afrikaanse spoorlijn over en gaat haar eigen weg, al is haar koffertje in China gemaakt. Het koffertje is blijkbaar ook in New York geweest, of gaat er nog naartoe. Is het koffertje de last van buitenlandse machten?   Wie in Afrika gereisd heeft, weet dat er daar langs de weg iedere dag vele duizenden kilometers te voet afgelegd worden. Waar die mensen voortdurend naar onderweg zijn, is onbekend, maar ze kennen maar één richting: voorwaarts, met zichzelf en het hunne.

Van een veel oudere generatie is Samson Mudzunga (1938). Zijn werk werd vooral bekend sinds de Biënnale van Johannesburg van 1995 en sindsdien zijn zijn grote trommelachtige sculpturen niet meer weg te denken uit het Zuid-Afrikaanse artistieke landschap. Mudzunga wordt gepresenteerd als een autodidact, een authentieke kunstenaar uit Venda die zijn werk gebruikt voor performances waarin traditie met persoonlijke opvatting vermengd worden. Fundudzi Airforce (2005) in Beelden aan Zee kan daarom opgevat worden als een overblijfsel van een performance, maar in de context van de tentoonstelling kun je het moeilijk anders zien dan als een autonome, bijzondere sculptuur. Het is een wonderlijk samenstel van een trommel, een vliegtuig, een boomstam en een wieg of doodskist. Het vliegtuig is voorzien van een openstaand luikje waardoor een liggend houten beeldje te zien is. Voor zover hier een reis wordt gemaakt is het vooral een reis in de verbeelding of een spirituele reis. Via het beeldje wordt de kijker uitgenodigd zo’n reis te ervaren. De inhoud van de reis blijft verborgen en persoonlijk, wellicht een reis naar een andere wereld of naar de dood. Hoewel tradities een rol lijken te spelen in het werk van Mudzunga is het vooral de eigen persoon van de kunstenaar en die van de beschouwer, die een rol spelen.

Tradities en afkomst en de eigen positie daarin spelen ook een belangrijke rol in het post-apartheid tijdperk voor kunstenaars van een veel jongere generatie. Angst en geweld komen minder naar voren in hun werk dan in dat van Alexander, Brown of Bester, maar daarmee is hun werk niet minder politiek of maatschappelijk beïnvloed. De interessantste voorbeelden daarvan op de tentoonstelling zijn werken van Nicholas Hlobo (1975), Nandipha Mntambo (1982) en Mary Sibande (1982).

Zich bewust dat het heden niet van het verleden te scheiden is, is Nicholas Hlobo in zijn werk uitdrukkelijk op zoek naar zijn eigen identiteit als Zuid-Afrikaan, als Xhosa, als homoseksuele man en als drager van cultuur en geschiedenis. Hij heeft daarmee ook buiten Zuid Afrika behoorlijk succes. Momenteel is zijn werk bij voorbeeld ook te zien op de Triënnale van Parijs. Zijn bijdrage aan de Haagse tentoonstelling is beperkt tot twee kleinere werken: Ubomvu (2004 – 2007) en Ndiyafuna (2006).

Ubomvu betekent volgens een online vertalinghij/zij is rood”. Als een slang van een slangenbezweerder komt deze sculptuur omhoog. Uit een rubberen band, hout en niet te vergeten rood kant is deze sculptuur even vernuftig als voor de hand liggend opgebouwd. Het is meer een gevoel dat hier een vorm krijgt dan een duidelijk omschreven wezen. Trachten de oudere kunstenaars abstracte zaken nog in herkenbare wezens vast te leggen, Hlobo lijkt meer op zoek naar het innerlijk. Voor zover er angst zit in dit werk, is het vooral in de combinatie van de kleur en de oncontroleerbare vorm. Het rode kant werkt hier eerder ongemakkelijk dan geruststellend als basis voor dit gedrocht.

Volgens de online vertaler betekend Ndiyafunaik wil”.  Op het eerste gezicht lijkt dit een herkenbaarder werk, door de twee benen met de afzakkende spijkerbroek van de jongen die zich beweegt in een, tja, waarin eigenlijk? En daar belandt het werk wederom in een innerlijke gevoelswereld. De bespijkerbroekte jongen lijkt zich in een ondefinieerbare vorm te hebben gewrongen. Wat zoekt hij er, of liever, wat wil hij er? Kruipt hij in zich zelf, is hij letterlijk op zoek naar zichzelf? Tast hij in het duister en weet hij met zijn persoon geen raad?

Silence and Dreams (2008) van Nandipha Mntambo heeft  qua vorm een zelfde ongrijpbaarheid. In de binnenkant van de koeienhuiden zijn vrouwenlichamen te herkennen. Mntambo is de laatste jaren bekend geworden door haar video’s, performances en sculpturen die met huid, kleding, ruimte en identiteit te maken hebben. De koeienhuid en haar eigen lichaam komen daarbij vaak als een metafoor terug. Haar werk kan feministisch opgevat worden, maar dat doet er te weinig recht aan. In Silence and Dreams kan weliswaar opgemerkt worden dat de vrouw slechts als afdrukken in de huiden aanwezig is en dat het schone van het vrouwenlichaam teniet gedaan wordt door de ‘lelijkheid’ van de binnenkanten en de onregelmatige vormen van de koeienhuiden. Maar het werk geeft ook een vrij letterlijk beeld van ongrijpbare kracht en saamhorigheid. Gezien de titel is dat wellicht een ideaalbeeld, maar dat is dan in ieder geval vormgegeven. Hoe plechtig de sculptuur er ook uitziet en hoezeer de titel ook betekenis lijkt te geven, er zijn in feite meerdere betekenissen die langs elkaar glijden.

Het zelfde zou gezegd kunnen worden van de veel vormvastere sculptuur Zeus  (2009). Hier is niet slechts sprake van een vrouwenportret dat een zekere oerkracht krijgt door de runderhorens, -oren en –huid, het is ook een zelfportret van de kunstenaar, als vrouw, als Afrikaanse, maar ook als wereldburger. Een zelfportret als oppergod, als totaalbeeld waaraan Jonathan Meese nog een puntje kan zuigen.

(Klik op het plaatje voor een vergroting)

De werken van Mary Sibande wekken wellicht de meeste aandacht in Beelden aan Zee en, voor wie de Kloosterkerk binnengaat, aan het Lange Voorhout. Dat komt vooral door haar flamboyante alter ego, de werkster Sophie, die ook vorig jaar op de Biënnale van Venetië te bewonderen was. Sophie heeft een blauwe, traditionele werkster-outfit die door Sibande is omgetoverd tot een baljurk van sprookjesachtige proporties. Ook Sibande haalt haar inspiratie uit het verleden, het koloniale verleden van Zuid Afrika en haar eigen positie ten gevolge daarvan in de huidige samenleving.

Onder Rubber Soul: Monument of Aspiration (2011) in Kloosterkerk lag een handgeschreven briefje dat als een vingerwijzing geldt voor het werk. Daarmee wordt veel van de inhoud van het werk prijsgegeven, enigszins rebus-gewijs. Maar de vitaliteit van het beeld overtuigt meer dan dat. De bevrijding die het beeld zou belichamen laat zich herkennen aan de hele uitstraling van het beeld, veel meer dan aan de vingerwijzingen.

En dat geldt evenzeer voor Lovers in Tango (2011) en

Wish You Were Here (2010) in Beelden aan Zee. Sophie werkt zowel bevrijdend als innemend. Wel kun je je afvragen, gezien de snel wisselende smaak, hoe lang het leven zal zijn dat Sophie beschoren is en hoe krachtig zij zal blijven.

Van de tentoonstelling als geheel kan gezegd worden dat ze slechts een summier overzicht biedt van de hedendaagse Zuid-Afrikaanse kunst. Onder de omstandigheden kan dat uiteraard niet anders, maar de expositie zou gebaat zijn geweest met een alternatief, met name van werk van jonge en andere kunstenaars wier werk (nog) weinig bekendheid heeft.

De expositie is daardoor nu wat minder spannend dan zij zou kunnen zijn. Dat valt mee in Beelden aan Zee, waar de veelheid aan beelden op een betrekkelijk klein oppervlak in een uitgekiende opstelling de expositie redelijk sfeervol maakt. Beelden aan Zee toont ook foto’s van mensen als Pieter Hugo en de gebroeders Essop, en tracht bovendien met ouder werk een kleine geschiedenis te geven van de Zuid-Afrikaanse beeldhouwkunst. Maar de expositie op het Lange Voorhout mist veel spanning, weinig beelden zijn er echt confronterend en er lijkt geen samenhang of context te zijn. Maar voor een kennismaking met hedendaagse kunst uit Zuid-Afrika is de expositie heel geschikt.

Bertus Pieters

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: