Skip to content

Verwerpelijk noch goddelijk: Uncommitted Crime in Quartair.

29 augustus 2012

Aan de integriteit van het menselijk lichaam en dat van andere levende wezens wordt al jaren, ja zelfs al eeuwen getornd. Biologisch gezien is dat niet vreemd, immers een mens heeft eiwitten, vitaminen en andere mineralen nodig om in leven te kunnen blijven. Die stoffen halen we zonder pardon weg bij andere levende wezens en sinds landbouw en veeteelt bedreven worden, grijpen we ook onophoudelijk in in de natuur, om soorten te verbeteren voor consumptie. We spelen wat dat betreft al millennia evolutietje. We kruisen en enten al eeuwen dat het een lieve lust is. En al spoedig stond daarbij het economisch gewin niet meer voorop. Bloemen en planten werden en worden gekweekt, puur voor het mooi en ook huisdieren zijn er al lang niet meer alleen voor het produceren van voedingsstoffen, om karren te trekken, om te waken, te jagen of ongedierte te vangen. We hoeven maar te zien tot wat voor onwaarachtige en afschuwelijke mormels we sommige honden hebben laten evolueren om te kunnen constateren dat smaak wel degelijk betwistbaar is.

Het is duidelijk: de mens is nieuwsgierig en zijn voorstellingsvermogen helpt hem daarbij. Dat heeft ons in ons bestaan veel nut verschaft, maar dus niet alleen om het nut. Het gaat ook om nieuwsgierigheid en voorstellingsvermogen zelf. Daar hebben kunst en wetenschap dan ook raakvlakken, want beide zijn op die eigenschappen gebaseerd. In een wereld waarin wetenschappers en kunstenaars simpel gezien worden als producenten die het publiek moeten voorzien van producten en waarin inventiviteit als zodanig niet op prijs gesteld wordt, zullen kunst en wetenschap dan ook geen lange bloei beschoren zijn.

Het geven van een nuttig uitgangspunt aan het maken van kunst kan daarom slechts een bijkomstigheid zijn. Het gaat uiteindelijk om het geïntrigeerd en gefascineerd zijn, het dingen willen laten zien. Op de tentoonstelling Uncommitted Crime in Quartair aan de Haagse Toussaintkade is bijvoorbeeld werk te zien van Jalila Essaïdi. Fascinatie voor het onverwoestbare van spinnenzijde en de fantasie van een even onverwoestbare menselijke huid hebben haar aan het werk gezet. Samen met onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum heeft zij gezocht naar mogelijkheden om spinnenzijde toe te passen in de menselijke huid om die huid zodoende kogelwerend te maken. Of je hier van een onderzoek moet spreken waar het de artistieke kant van de zaak betreft, is betwijfelbaar. Immers, de wetenschap  zal graag een resultaat zien bij een onderzoek, terwijl de beeldende kunst alleen maar het voorstellingsvermogen wil kietelen. Dat blijkt ook uit de opstelling van Essaïdi’s werk. Die bestaat uit drie onderdelen:

een stukje huid met spinnenweefsel erin,

enige filmopnames van proefnemingen met de kogelwerendheid van de huid met spinnenweefsel,

en de spin in levenden lijve die haar web heeft geweven in een metalen frame. Alle drie de onderdelen zijn esthetisch zakelijk en fraai vormgegeven, maar dat is slechts de verpakking: de inhoud is zowel fascinerend als betwijfelbaar. Want willen wij op deze wijze ooit een kogelwerende huid hebben? Hoeveel hebben wij voor onze persoonlijke veiligheid over? Speelt status daarin ook een rol? En hoeveel dierlijke eigenschappen denken we daarvoor nodig te hebben? Wat hebben wij eigenlijk nodig om onoverwinnelijke supermensen te worden? Wat vooral blijkt uit de opstelling van Essaïdi is niet zozeer de technologie als wel de diepe biologische wensen die de mens koestert, wensen die in het DNA van alle levende wezens zitten: wensen tot overleven van individu, groep en soort. Bij de mens heeft zich dat in mythologie vertaald: de mens die alles kan doorstaan, ja de mens die alles móét doorstaan. Dat biologische moeten maakt mythologie en de verwezenlijking ervan schijnbaar tot noodzaak. Wat door de één door de eeuwen heen als verwerpelijke hoogmoed werd gezien, werd door de ander gezien als een goddelijke opdracht. De spin in de tentoonstelling heeft daar allemaal geen last van. Braaf wordt ze gevoerd met krekels en herweeft ze haar oersterke web. In dat web voelt ze zich zo veilig als haar genen dat toestaan.

Zoals een schilder ons op een tentoonstelling een esthetisch resultaat laat zien van een proces van kijken en ploeteren, waarbij we verder geen inzicht krijgen in dat proces, zo toont Essaïdi ons haar installatie. Dat is anders bij Soyo Lee die een groot aantal foto’s laat zien en teksten die het proces beschrijven, alsmede teksten van haar inspiratiebron John Hunter. Hunter was een Schotse medische wetenschapper uit de tweede helft van de achttiende eeuw, die ervan uit ging dat alle leven, van de hoog ontwikkelde mens tot de simpele andijviekrop, iets gemeenschappelijks heeft. Het is dan ook niet vreemd dat hij onder meer probeerde een menselijke tand te enten in een hanekam. Iets dergelijks heeft ook Soyo Lee geprobeerd uit artistieke overweging. Het proces is daarbij ontegenzeggelijk onderdeel geworden van het kunstwerk. Het is een verhaal op zich, waarbij de drie zaken die zij toont in flesjes sterk water, als resultaat bescheiden aandoen.

Het beschrijven en het in foto’s laten zien van alle handelingen die nodig zijn voor dit resultaat op sterk water, gecombineerd met de bevindingen van John Hunter met fraaie illustraties en ook met Lee’s eigen korte opmerkingen, geschreven op de wand, die het enthousiasme voor het hele proces benadrukken, dat alles lijkt moedwillig voorbij te gaan aan de ethische vraag over die hanekop op sterk water met zijn gespleten kam, of zelfs aan de fraaie foto’s van de hanekop met de gespleten kam die als een bijna sierlijke, kleurig versierde scalp gezien kan worden. Daarmee wordt het zowel een verhaal over de grens van de esthetiek als wat wij ervoor over hebben. Er is een vreemde tegenstrijdigheid in deze installatie tussen het enthousiasme en de veelheid aan informatie en dat wat ondanks dat alles niet gelezen of gezien kan worden. Want mogen we wat we kunnen, kunnen we wat we mogen en waarom? Immers een god is er alleen voor wie daarin gelooft en het bijbehorend gebod is door onszelf gemaakt en opgelegd.

En ondertussen blijft er dat macabere schone van die hanekop en zijn lugubere echtheid op sterk water.

Eerder potsierlijk dan luguber is het getoonde filmpje van Art Orienté Objet waarin Marion Laval-Jeantet zich laat inspuiten met bloedplasma van een paard en zich in het voorbijgaan ook paardenbenen laat aanmeten. Het geheel gebeurt als een performance in een zaaltje met publiek. Er wordt haar na het toedienen van het plasma wat van haar vermengde bloed afgenomen, waarvan het opgedroogde residu wordt losgeschraapt. In feite worden onder het mom van objectief tonen ook hier, als bij Lee, een aantal dingen niet gevraagd of uitgesproken. Maar de premisse van extreme paardenliefde en toedichten van geestelijke kracht aan bloedplasma lopen daarbij te zeer in de weg. Wat overblijft is een paard als figurant, die niet anders dan zijn clichématige rol van wat nerveuze, hinnikende viervoeter kan spelen en een dame die wat met zich laat doen. En ja, de combinatie gaat over de vermenging van twee soorten en doorbreken van grenzen daartussen. Een performance ontleent zijn kracht aan het ter plekke scheppen van een ritueel waarin de kijker zich betrokken voelt. Het kan zijn omdat deze performance slechts meegemaakt kan worden in een filmpje, dat de kracht van het ritueel hier maar niet gevoeld wil worden. Mocht het zijn dat Laval-Jeantet zich na het toedienen van het paardenplasma zich een beetje paard voelde, dan kan dat niet anders dan een uiterst menselijk gevoel zijn.

Het ligt allemaal wat genuanceerder bij de beborduurde orchideeën van Sara Martin Mazorra. Zoals Laval-Jeantet zichzelf verrijkte met paardenplasma, zo verrijkte Martin Mazorra haar orchideeën met borduursel. Een puur menselijke ingreep zou je zeggen. Maar de steken van het borduren blijken vaak hun natuurlijke parallellen te hebben, vooral bij planten- en schimmelgroei. En dat is wat Martin fascineerde. Vervolgens kwam daar de puur menselijke vraag bij van het preserveren: hoe behoud je een idee voor de voorzienbare eeuwigheid? Je kunt er een plaatje van maken.

Dat heeft Martin gedaan: er prijken vier grote zwart-witfoto’s aan de wand van Quartair met ieder een orchideebloem, losgemaakt van zijn plantaardige en levende context. De borduursels geven de bloemen een vreemd en nieuw aanzien. Zij lijken nieuwe levende wezens, want de borduursels hebben een heel natuurlijke schijn, als van parasitaire schimmels. Toch treedt er ook vervreemding op door de grootte van de foto’s en daarmee van de bloemen en omdat zij in zwart-wit zijn. Daarmee spelen de kleuren van de orchideeën sowieso geen rol meer. Zij zijn zelfstandige kunstwerken geworden, waarbij de orchideeën slechts het uitgangspunt vormen. Hun veranderingsproces heeft zich afgesloten door de laatste verandering in een kunstwerk. Weliswaar heeft Martin Mazorra hiermee een veranderingsproces vastgelegd, maar dat vastleggen is dus een eigen leven gaan lijden.

Hetzelfde geldt min of meer voor haar geborduurde orchideeënbloemen op sterk water. Het preserveren van de beborduurde bloemen was wellicht het uitgangspunt, maar de flesjes met inhoud zijn zelf esthetische objecten geworden. En zo geeft Martin Mazorro een wisselwerking weer tussen ontstaan en resultaat, tussen idee en object, altijd natuurlijk fundamenteel in de beeldende kunst, maar die wisselwerking wordt des te scherper wanneer er levende wezens in het geding zijn. Die wisselwerking was wellicht al des te duidelijker in het werk van Soyo Lee, maar de installatie en de objecten zelf van Sara Martin Mazorra bieden door hun presentatie meer aanleiding voor contemplatie.

Stijn Belles werk raakt meer letterlijk aan de naam van de expositie Uncommitted Crime. Om de idee van een DNA-databank ten behoeve van de opsporing van criminaliteit te saboteren, wil Belle zijn DNA alvast aan alle politiebureaus sturen: een bekentenis voor zo’n beetje iedere misdaad die nog niet begaan is. Om het nog gecompliceerder te maken, kan de bezoeker zelf wat DNA afstaan om als Belles DNA verstuurd te worden. Zo kan de bezoeker medeplichtig worden aan iets wat nog gebeuren moet. Zo betrekt Belle het publiek bij zijn idee. Hij doet dat met humor, maar tegelijkertijd wijst hij op de ernst van de situatie: in feite zouden wij allemaal potentiële verdachten worden. Daarmee wordt het idee van Belle een mooi stukje politieke agitatie met medewerking van het publiek. Maar wie wederom vraagt om aantoonbaar nut zal toch vooral geconfronteerd worden met Belles fascinatie voor het in de war sturen van een politiek-maatschappelijke idee, of liever, het immuniseren met door autoriteiten onomstotelijk geacht bewijsmateriaal. Het is wellicht zelfs een idee geboren uit radeloosheid, maar is omgezet in iets aanstekelijk enthousiasts.

Adam Zaretsky, kunstenaar en bioloog, doet in feite het tegengestelde. In een ruimte liggen gesteriliseerde teken- en schildermaterialen. Via handschoenen kunnen die van buitenaf uitgepakt en gebruikt worden. De steriele resultaten kunnen aan de buitenwereld afgeleverd worden in gesloten plastic zakken,

die zijn ook te zien in Quartair, evenals de kast met de handschoenen waarin tijdens de opening de schilderwerkjes gemaakt werden. Er werd tijdens de opening flink gebruik van gemaakt, en zo biedt de kast een prettig rommelig aanzien. Bij de resultaten is dus niet op bio-wetenschappelijke manier te bewijzen wie de werkjes gemaakt heeft, niettemin behoudt het werk het typische spoor van menselijke activiteit. Dit maakt ook duidelijk hoeveel hordes er in het creatieve proces in feite genomen moeten worden om de zuiverheid van de idee materieel uit te drukken. Echter, geldt dat ook niet voor film, fotografie en computerkunst, kunstvormen die ook gebaseerd zijn op een vorm van tasten in steriliteit? Of geldt het in feite voor alle vormen van kunst? En gezien vanuit een ander perspectief: zijn menselijke sporen, al zijn ze ‘steriel’ gemaakt, niet net zo herkenbaar als lichamelijke sporen?

Zaretsky heeft in de bio-kunst al zijn sporen verdiend, maar hij lijkt met het hier getoonde werk het biologische juist te weren. Sowieso houden niet alle kunstenaars in de expositie zich expliciet bezig met bio-kunst. Maar leven en dood zijn wel een duidelijke rode draad in de hele tentoonstelling. Met name die zaken waarmee we ons eigen leven willen garanderen, al kost dat de dood van de ander. Zo is de Kalashnikov of AK-47 door zijn goedkope productieproces en zijn praktische gebruik één van de meest verbreide en gebruikte handvuurwapens in de wereld geworden, bedoeld om de ander bij voorbaat te doden. Het is daarmee een icoon van dood, verderf, revolutie, guerrilla en terreur geworden. Het bezitten van een AK-47 is dan ook verboden. Maar wat is een AK-47? Een ding dat er de uiterlijke kenmerken van heeft?

Art van Triest heeft de proef op de som genomen: hij heeft een driedimensionale print van een afbeelding van het wapen gemaakt. Hij heeft het object in drieën verdeeld en laat die drie delen nu langs elkaar schuiven, waardoor de delen soms achter elkaar hangen waardoor zij samen de uiterlijke kenmerken van de Kalashnikov hebben. Mag dit? Heel uitdagend is deze vraag wellicht niet, want het object mag de kenmerken van het beruchte wapen hebben, maar het heeft slechts een referentie aan de kenmerkende kleuren. Het krijgt die kleuren door projectie van de afbeelding van de oorspronkelijke Kalashnikov. Juist die kleuren en de transparantie van de print geven het geheel een onverwacht esthetisch uiterlijk. Drie objecten schuiven langs elkaar en vormen soms een geheel, daarmee lijkt het object zelf een spel te spelen van destructie en toevallige reconstructie. Achter het bewegende werk is op de muur door de projectie de schaduw ervan te zien. Één en ander is door Van Triest per computer geprogrammeerd. Niettemin heeft dit werk op deze expositie nog het meest de schijn van een conventionele sculptuur en ligt de uncommitted crime hier nog het meest in de betekenis van de vorm zelf, meer dan in het feit of hier nu tegen de mazen van de wet geschurkt wordt. Het idee van compleetheid of incompleetheid van een vorm is op zich ook niets nieuws, maar krijgt ook hier pas betekenis door de aard en herkenbaarheid van de vorm. De enige dreiging die van het werk uit kan gaan is dat het geheel dat nu en dan ontstaat een icoon van dood en verderf laat zien. Maar de esthetiek van het geheel doet die dreiging onmiddellijk vergeten. Misschien is dat dan nog het meest bedreigende.

Dorith Sjardijn ziet textiel, haar medium, als een tweede huid. Een huid is allereerst bedoeld om te beschermen, maar een huid is ook gevoelig, een huid verraadt ook iets over zichzelf en wat erachter zit. Ze combineert daarbij textiel met electronica. Het idee van een huid en een lichaam hoeven natuurlijk niet specifiek de menselijke huid en het menselijk lichaam te zijn. Op de vloer ligt textiel in de vorm van een donkerbehaarde dierenhuid, die in stukken is gesneden. In het textiel lichten afbeeldingen van menselijke huid en ogen op. Daarmee lijkt het werk een commentaar op werk als dat van Soyo Lee, dat ernaast te zien is: het idee dat hier een proefneming is gedaan met menselijke huid en ogen geënt op een dierenhuid. Toch hebben de zogenaamde stukken menselijke huid en de ogen iets ontegenzeggelijk artificieels: dit is duidelijk geen echte mensenhuid. En ook dat wat lijkt op een behaard dierenvel is niet meer dan textiel. Het is, als het meeste op deze expositie, niet meer dan een idee. En dat geldt wellicht voor Sjardijn het meeste. Dat is niet bedoeld als onderwaardering, in tegendeel: het toont vrij simpel aan wat suggestie vermag op een expositie als deze die schijnbaar zoveel zware kost wil bieden.

Toch valt dat zware in zijn geheel mee. Er is geen verwerpelijke hoogmoed en geen goddelijke opdracht. De expositie is eerder humaan. Er is voor een goede afwisseling gezorgd, ook tussen beeld en concept en de hele regie is buitengewoon geslaagd, heeft zelfs iets museaals in de positieve zin van het woord. Het publiek wordt betrokken bij het werk, maar niet op een hinderlijke, verplichtende manier en er is ook een goede balans gevonden tussen dat wat te zien is en dat wat er te lezen is. Wat de individuele kunstenaars hebben te laten zien, is op zich niet nieuw, maar zij zijn in Den Haag nog niet op een dergelijke manier samengebracht. Het is daarmee in het begin van het nieuwe culturele seizoen meteen één van de spannendste groepsexposities denkbaar.

Bertus Pieters

Zie ook: http://blogger.xs4all.nl/chmkoome/archive/2012/08/25/781970.aspx  en http://trendbeheer.com/2012/08/25/uncommitted-crime-quartair/#more-100288

 

 

 

2 reacties
  1. Hulde Bertus, dit is een diepgravend stukje proza! Zelf heb ik er niet zo veel mee, maar dat komt waarschijnlijk omdat ik een romanticus en uiteindelijk toch een alfa ben!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: