Skip to content

Erik Pape, Philip Akkerman en Rens Krikhaar in een dubbele expositie in Den Haag

15 oktober 2012

Begin jaren tachtig besloot Philip Akkerman (1957) alle inhoudelijke onzin en interessantdoenerij van het kunstenaarsvak achter zich te laten en zich te bepalen tot waar het hem om ging: schilderen. Ook het onderwerp werd tot onproblematisch verklaard: is ieder kunstwerk niet een soort zelfportret van de kunstenaar? Waarom dan niet gewoon echt het eigen gezicht gebruiken? Inmiddels heeft Akkerman voldoende zelfportretten geschilderd om er een flink museum tot de nok toe mee te vullen. Je zou je daar niet bijzonder hoeven te vervelen want Akkerman heeft door de jaren heen laten zien dat de mogelijkheden van verf schier eindeloos zijn.

De modernistische idee dat in de kunst iedere nieuwe stap er één verder moet zijn naar de kern van de kunst zelf, stappen die slechts genomen kunnen worden door middel van vergaande abstractie en vereenvoudiging, lijkt inmiddels ver weg in het verleden. Akkermans besluit indertijd om alleen nog op panelen een ondertekening met daaroverheen een schildering te maken met tempera of olieverf, leek een conservatieve geste. De vooruitgangsgedachte had in die tijd sowieso al de idee doen postvatten dat de toekomst van de beeldende kunst niet meer in beelden lag maar in ideeën. Verf hoorde daar niet bij. Inmiddels zijn we enige decennia verder en is Akkermans werk ruim opgenomen in de postmoderne canon. Maar het is de kracht van dat wat begon als een mooi ambacht en nu geworden is tot een vrij speelveld, die Akkermans werk ook meteen weer buiten enige canon plaatst. Zijn werk is noch een modern eindpunt van de kunst noch een conservatieve stap terug, maar meer een stollingspunt van mogelijkheden.

Het is niet vreemd dat het werk van Akkerman daardoor als het ware de middelpuntvliedende kracht is in de dubbele tentoonstelling bij Maurits van de Laar en bij Quartair van Erik Pape (1942), Philip Akkerman en Rens Krikhaar (1982). Bij Maurits van de Laar hangen tekeningen van het trio en bij Quartair hangen hun schilderijen. Hoewel Akkerman niet van de wortels van het oude vak afwijkt, niet van de tekening als basis, niet van het paneel als drager van het schilderij, mengen grote delen van de hele schildersgeschiedenis zich in zijn zelfportretten. Ideeën van het begin van die geschiedenis en de blikken van de meesters die zichzelf sindsdien portretteerden echoën in het werk van Akkerman en leiden bij hem tot de meest uiteenlopende teken- en schildersstijlen.

Beide andere tekenaars/schilders gebruiken, vergeleken met Akkerman, een veel beperkter repertoire aan teken- en schilderstechnieken. Niettemin heeft Erik Pape in zijn leven al verschillende stijlen gezien, meegemaakt en verwerkt. Hij is dan ook van een eerdere generatie dan Akkerman. Zijn vroege werk doet nog sterk denken aan de Haagse tekenstijl van de jaren zestig. Hoe anders is dat nu. Sporen van surrealisme en anekdotiek zijn vrijwel verdwenen in zijn huidige werk. Het gaat evenzeer over schilderen als Akkermans werk en gaat eveneens uit van één onderwerp. Het onderwerp is Parijs en dan met name de Place de la Bataille-de-Stalingrad en omgeving. Maar kun je bij Akkerman zeggen dat de keuze voor zijn onderwerp een radicaal volgehouden statement is, zo zou je bij Pape eerder kunnen spreken van een niet kunnen verlaten van een plek omdat er zoveel te ervaren valt.

Met name dat ervaren is bij Pape van belang want het gaat in zijn huidige werk vooral om ruimtebeleving. En dan vooral ruimtebeleving die door schilderen opgewekt kan worden. Pape laat licht en beweging door het donker van de nacht spelen en doet dat met een afwisseling van dikke, pasteuze verf, dunne gedeeltes en overschildering waardoor het reliëf en hier en daar de kleur van de onderschildering zichtbaar blijft.

Met graagte lijkt Pape zich hier en daar tegen de kitsch aan te schurken, maar hij geeft daar steeds een schilderkunstige draai aan met het gemak van de kunstenaar die enerzijds zijn vak verstaat en anderzijds liefde heeft voor zijn onderwerp en zijn materiaal. Place Stalingrad is immers zelf een plein waar zowel platvloerse zaken als hoge idealen samenkomen. In de tekenboeken, die bij Maurits van de Laar in vitrines zijn tentoongesteld, kun je de elementen zien waaruit de schilderijen zijn opgebouwd.

Overigens hoef je niet in Parijs geweest te zijn om Papes werken te kunnen waarderen. Ieder schilderij biedt zijn eigen spektakel, verhoogd door het strijklicht dat op de tentoonstelling hier en daar erg aanwezig is. Het strijklicht in Quartair legt de onderliggende structuur van de schilderijen (wellicht onbedoeld) des te sterker bloot. Vanuit verschillende posities naar het schilderij kijkende, krijg je een idee van de ruimte die Pape tracht te scheppen.

Rens Krikhaar kwam enige jaren geleden van de Haagse Academie en werd geboren in de tijd dat Akkerman besloot zelfportretten te schilderen. In zijn schilderijen houdt Krikhaar zich momenteel hoofdzakelijk bezig met zeeslagen en roofvaart in de 17de en 18de eeuw. Maar die keus is lang niet zo vaststaand als die van Akkerman. Dat blijkt ook uit Krikhaars tentoongestelde tekeningen, die weinig of niets met scheepvaart te maken hebben, enkele uitzonderingen daargelaten.

Krikhaar leeft in een tijd dat er geen absolute ideeën meer lijken te zijn over hoe de kunst er in de toekomst uit moet zien. De vraag is niet langer of schilderen wel van deze tijd is, of dat de idee belangrijker is dan het beeld. Veel meer speelt de vraag nu hoe legitiem de kunst is. Wat voor kunst je maakt is dan niet meer van belang, maar wel dat je kunst maakt in wat voor vorm dan ook. In het geval van Krikhaar is dat tekenen en schilderen.

Zijn werk is het meest anekdotisch van de drie in die zin dat zijn schilderijen en tekeningen tonelen zijn waarop zich iets afspeelt. Vooral in zijn tekeningen lijken de tonelen uit hun kaders te barsten, zoveel details zijn er te zien in soms grote ruimtes, maar kleine papieroppervlakjes. Met Pape heeft hij gemeen dat hij een ervaring van het sublieme wil laten zien. Pape doet dat letterlijk met de verve die de romantiek van de schilderkunst hem biedt, maar Krikhaar is juist veel koeler in de techniek. Het is bij hem juist de doelmatige arcering of de gladde, decoratieve verfstreek die de grootse ervaring beter uit moet laten komen. Bij Pape worden de vormen ondergeschikt aan de totale ervaring, bij Krikhaar zijn het juist de vormen die de ervaring moeten maken. Op zijn schilderijen zijn het de schepen, de figuurtjes die erop rondlopen, de wolken, de golven, de kanonschoten. In de tekeningen zijn het een veelheid aan figuurtjes, voorwerpen en andere vormen. In feite worden al die spelers niet anders behandeld dan de decors waarin zij hun spel opvoeren. Zij krijgen daardoor de schijn slechts een onderdeel te zijn van een groot geheel, waarin niet zelden naargeestige zaken gebeuren die zij geen van alle individueel tegen kunnen houden. Zinken en ten onder gaan zijn voortdurend de volgende stappen in Krikhaars tonelen, behalve daar waar al gezonken en ten onder gegaan is.

Door de nadrukkelijk doelmatige en decoratieve techniek die Krikhaar gebruikt, krijgen zijn werken iets van een vingerwijzing, een waarschuwing, zoals een grimmige cartoon die kan hebben. In zijn schilderijen zijn het de zee en de horizon die een rust brengen die in de tekeningen meestal ontbreekt. Je ziet er grootse zaken gebeuren, grootse en verschrikkelijke zaken die onafwendbaar zijn. Door een klassieke oplossing van het benadrukken van voorgrond, middentoneel en achtergrond wordt dat in de zeegezichten nog eens benadrukt. Bij de zeegezichten is er bovendien nog een element dat alles in zijn greep houdt, de mensen met hun schepen die elkaar naar het leven staan zijn zelf gezamenlijk in de macht van zee en weer, van de natuur.

In zijn zeeschilderijen is die natuur meestal groot en grauw, soms verraderlijk nevelig, terwijl ze in zijn tekeningen vaak veelvormig en actief is. In de tekeningen wordt de natuur het noodlot dat de mensen in zijn greep houdt met allerlei middelen, in de zeegezichten wacht ze grimmig af.

Alles bij elkaar biedt deze tentoonstelling een bijna museale opstelling van een groot aantal werken van deze drie kunstenaars die in verschillende tijdperken studeerden aan de Haagse Koninklijke Academie. Alle drie zijn zij ook kunstenaars die beschikken over een aanzienlijke techniek. Daarbij is Akkerman de kameleon van het trio, is Pape degene die de dieptewerking van olie en alkydverf helemaal beheerst en is Krikhaar de man van de doelmatige maar ook elegante verfstreek en steeds virtuozere arcering. Alle drie geven zij vorm aan hun opvatting van de geschiedenis.

Maar dat is op zich niet opvallend, want tekenen en schilderen hebben van zichzelf geschiedenis. Wel opvallend is de rol die deze drie kunstenaars daarin spelen. Want alle drie maken zij goed en bijzonder werk dat deze dubbele tentoonstelling meer dan rechtvaardigt.

Bertus Pieters

Zie ook:

http://blogger.xs4all.nl/chmkoome/archive/2012/10/11/791303.aspx

http://jegensentevens.nl/2012/10/erik-pape-philip-akkerman-rens-krikhaar-1/

http://jegensentevens.nl/2012/10/erik-pape-philip-akkerman-rens-krikhaar-2/

 

Advertisements
2 reacties
  1. Hallo Bertus, mooie analyse!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: