Skip to content

Tussen de stijlen door: Oscar Jespers in Museum Beelden aan Zee

19 juli 2013

Oscar Jespers 01

Oscar Jespers 02

Op de huidige retrospectieve tentoonstelling in Museum Beelden aan Zee  van Oscar Jespers  (Borgerhout 1887 – Brussel 1970) staat zijn vroege beeld Frieda gezusterlijk in de buurt van zijn late beeld Kleuter. Binnen het oeuvre van Jespers kan het verschil bijna niet groter zijn. Frieda werd gemaakt in 1918 en in brons gegoten in 1919. Het beeld is duidelijk kubistisch. Het licht kan langs de verschillende vlakjes glijden, de ruimte steekt als het ware in het beeld en het beeld steekt op zijn beurt in de ruimte. Het idee van volume wordt wel enigszins opgewekt door de bolte van de rok die Frieda draagt, maar het volume is in dit beeld duidelijk niet de hoofdzaak. De constructie is belangrijker.

Oscar Jespers 03

Oscar Jespers 04

In Kleuter, uit 1959, gaat het juist om het volume. Hoewel het beeld van gips is, lijkt de vorm de zwaarte te hebben van steen. Enigszins hulpeloos steken er twee armen uit die er niets aan doen om het beeld ruimtelijker te maken. Het bolle hoofd zit halsloos op de romp, op zijn plaats gehouden door een steile haardos aan de achterkant. De oren steken als de twee enige ornamenten uit het beeld. Het zware geheel wordt getorst door twee korte beentjes. Het beeld is bijna te monumentaal om een kleuter voor te stellen. Het gezicht lijkt onwennig en schijnt in de materie van het lijf terug te willen keren. Frieda uit 1919 kent geen sentiment, is eigenlijk niet meer dan een uitdijend ornament, maar onder het oppervlak van Kleuter lijkt het sentiment naar buiten te willen komen zowel als tegengehouden te worden. Frieda begint midden in de geschiedenis, Kleuter heeft een geschiedenis achter zich.

Oscar Jespers 05

Hoewel een beeld als Kleuter en zeker Kleine Leda en de zwaan (1963/65) kracht niet ontzegd kan worden, lijkt het er bij de beelden van na de oorlog toch wat op dat het artistieke avontuur er bij Jespers in die tijd uit was. Zeker, de Kleine Leda is een krachtig werkje en heeft de kenmerken van al het goede van voor de oorlog. Het is plastisch, het gaat vooral over volume en de kracht waarmee Leda de zwaan omarmt, is de kracht van het marmer.

Oscar Jespers 06

Maar de artistieke kracht van het ontdekken ligt bij Jespers vooral in de jaren twintig. Er zit nog een zweem van het ruimtelijke kubisme in de kalkstenen Uil uit 1921 en het primitivisme – waarbij vormen vereenvoudigd en gestileerd worden als in klassieke Afrikaanse kunst of kunst uit andere niet-Europese oorden – heeft duidelijk Jespers’ belangstelling.

Oscar Jespers 07

Oscar Jespers 08

In de twee gipsen Baadstertjes uit 1921 zijn de vormen ronder maar tegelijk ook naturalistischer. Het is of Jespers in die twee werkjes een stapje terug doet om zich te beraden, kijkende hoe hij stilering en vereenvoudiging met elkaar in balans kan brengen en hoe hij het volume een rol kon laten blijven spelen.

Oscar Jespers 09

Oscar Jespers 10

Het werk van Constantin Brancusi  (1876 – 1957) had op veel Europese beeldhouwers in het Interbellum een enorme invloed en ook op Jespers. Het bevrijdde de beeldhouwkunst van het naturalisme, van het impressionistisch tintelende licht op het geboetseerde oppervlak, en van het verbeelden van beweging zoals dat door Auguste Rodin   (1840 – 1917) in zwang gebracht was. En het stelde het hakken boven het boetseren. Invloed van Brancusi’s werk op dat van Jespers was onvermijdelijk. En dat is merkbaar in het palissanderhouten Moeder en kind van twee jaar na de Uil en de Baadstertjes. Het exotisch decoratieve van de Uil is schematischer gemaakt en de elegantie van de Baadstertjes is verdwenen. Het sentiment van dit klassieke thema is uitgebannen, behalve in de kracht waarmee het kind door de moeder wordt vastgehouden. En die kracht zit in de formele stapeling van de geometrische volumes en in het prachtige materiaal zelf.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

En zo doet Jespers’ marmeren Babykop uit 1925/28 sterk denken aan Brancusi’s Slapende muse  uit 1910, een werk dat alles wat toen van Rodin geleerd had kunnen worden – een levendig geboetseerd oppervlak, beweging, naturalisme – ontkent en tegenspreekt. Al in 1906/08 had Brancusi, ten tijde van zijn korte leertijd bij Rodin, een Slapend kind  geboetseerd en in brons gegoten, waarbij het resultaat meer op een losse, bewerkte steen lijkt. Bedacht moet ook worden dat de Amerikaans-Engelse beeldhouwer Jacob Epstein (1880 – 1959) al in de jaren 1902/04 een losse slapende babykop vervaardigde*. Ook dat is een werk in brons, maar ook in dat werk wordt vooral het gesloten bolronde volume benadrukt. Jespers, in zijn Babykop, benadrukt de geslotenheid van de vorm veel sterker dan zijn voorgangers. De slapende ogen zijn als het ware naar binnen gekneed en neus, mond en oren zijn niet meer dan vlakke ornamenten. Alleen de kin steekt geprononceerd uit. Meer dan in Brancusi’s Slapende muse wordt hier een innerlijk leven gesuggereerd. Het leven lijkt onder het gepolijste oppervlak van het bolronde marmer te zitten. De gevoelswaarde van het slapende, jonge leven en de vorm die uit het marmer geboren wil worden, zullen wellicht ook een rol hebben gespeeld voor Jespers.

Oscar Jespers 12

Oscar Jespers 13

Brancusi is ook weer terug te vinden in het gezicht van Perle fine uit de jaren 1924/25. En ook een kalkstenen kop, gehouwen door Brancusi’s vriend Amedeo Modigliani   (1884 – 1920), uit de jaren 1911/13 komt in gedachten. Toch heeft Jespers die invloeden tot iets eigens verwerkt. Een geweldige haarknot vervormt het gladde, ovale hoofd tot iets met een bijzondere waardigheid. Het hele idee van het beeldje is in zijn gepolijstheid gevoelig voor iedere nuance die Jespers erin gemaakt heeft.

Oscar Jespers 14

Oscar Jespers 15

Dat is nog sterker het geval bij het bronzen Meisjeshoofd uit 1927. De invloeden van Brancusi en Modigliani en van het primitivisme – met name van West-Afrikaanse maskers   – zijn nog steeds herkenbaar maar vallen helemaal weg tegen de persoonlijke verwerking.

Oscar Jespers 16

Oscar Jespers 17

En waar dat toe kan leiden laat het uit steen gehakte Hoofd van Edgard Tytgat  uit 1925 op monumentale wijze zien. Karakteristieken van het portret worden enerzijds tot masker gemaakt, anderzijds krijgt dat masker zelf een eigen karakteristiek.

Oscar Jespers 18

Tot een vergaande vorm van abstractie kwam Jespers in het uit steen gehouwen reliëf Kind met zwaan uit 1923. Van het onderwerp is weinig over, behalve de ritmes van de rechte en golvende lijnen en van het vlak of ruwer gehakte oppervlak.

Oscar Jespers 19

Oscar Jespers 20

Naast het Meisjeshoofd laten het aardewerken Vogeltje en de gipsen Engel uit 1927 zien tussen welke extremen Jespers in die tijd werkte. Het vogeltje is vereenvoudigd en uitgerekt, alleen de pootjes en het kopje zijn nog als zodanig herkenbaar. Het onderwerp is slechts aanleiding om de sculptuur zijn langgerekte vorm en eigen karakteristiek te geven. De Engel kan daarentegen niet los gezien worden van zijn onderwerp. Berustend legt de engel het ovale hoofd op de schouder, de uitgerekte armen moedeloos langs de zijden van het middeleeuws geplooide gewaad en de vleugels recht naar achteren om het smalle van de figuur te benadrukken. Enigerlei vorm van sentiment dat in Vogeltje in de sculptuur lijkt weggeduwd, komt in Engel juist overdadig naar buiten.

Oscar Jespers 21

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Gezien de datering kan de elegische Engel geen voorstudie zijn voor het gipsen Ontwerp voor het grafmonument voor Paul van Ostaijen uit de jaren 1931/32. Paul van Ostaijen   (1896 – 1928), één van de meest bijzondere dichters uit het Nederlands taalgebied, was voor Oscar Jespers en zijn broer, de schilder Floris Jespers  (1889 – 1965), in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog van groot belang geweest voor hun vorming. Van Ostaijen was zowel stimulerend als buitengewoon kritisch over het werk van de Jespersen. Stimulerend was hij in dat hij vond dat zij vooral hun eigen individuele weg moesten volgen, hard was hij toen hij meende dat de Jespersen zich uiteindelijk neerlegden bij de algemeen heersende smaak. Het uiteindelijke grafmonument op de begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen  werd door Oscar Jespers naar het hier tentoongestelde ontwerp vervaardigd en mag een monument heten van de grote waardering van Jespers voor de jonggestorven dichter en later ook galerist, die zo bepalend was geweest voor zijn werk. Hoewel Jespers zich weer van het expressionistische idioom bedient is Ontwerp voor het monument veel ingehoudener en compacter dan de Engel uit 1927. De engel van het monument ligt beschermend op het graf en de gesloten vorm is die van een grafkist. Is de echte grafkist de houder van de stoffelijke resten van Van Ostaijen, dan zou in de Christelijke verbeelding de engel van het monument de houder van de geest van Van Ostaijen kunnen zijn.

Oscar Jespers 23

Een ander liggend beeld, het uit hardsteen gehouwen Geboorte, eveneens uit de jaren 1931/32, is er één uit een aantal voorbeelden op de tentoonstelling van Jespers’ vrouwelijke naakten. Als zodanig vertegenwoordigt het een bonkig soort expressionisme dat in die tijd in Vlaanderen veel voorkwam en waar Jespers zijn eigen invulling aan gaf. Maar in de vrouwelijke naakten van Jespers zou dit expressionisme spoedig wijken.

Oscar Jespers 24

Oscar Jespers 25

Oscar Jespers 26

Het marmeren Naakt uit 1934 heeft in zijn robuustheid nog de echo’s van het expressionisme, maar er is veel meer naturalisme in dit werk. In zijn sereenheid doet het bijna klassiek aan. Natuurlijk komt dat ook door de duidelijk getoonde anatomie en het klassiek aandoende gezicht, maar het lijkt ook het moment te vatten juist voordat het afwachtende model het klassieke contrapposto aan gaat nemen. Subtiel heeft Jespers daartoe een licht verschil in de benen aangebracht.

Oscar Jespers 27

Wat dat betreft is het terracotta Opschik van vijf jaar later veel meer een terugkeer naar de klassieke sculptuur. De vrouwenfiguur heeft niet meer het volumineuze van Geboorte of Naakt. Armen en benen zijn vrij en suggereren beweging in de ruimte. Het gezicht heeft nog het schematische van werken uit de jaren twintig. Het is op zich een kundig werk van een meesterbeeldhouwer, maar het heeft in niets de serene kracht van Naakt uit 1934.

Oscar Jespers 28

En dat geldt ten overvloede voor Pureté uit 1954 dat in zijn geheel zinspeelt op Klassieke sculptuur. Wat ooit krachtig en inspirerend was, is hier oude-mannen-lyriek geworden. De stilistische crisis van een oudere generatie kunstenaars na de Tweede Wereldoorlog doet zich voelen.

Maar dat doet niets af aan de kwaliteit van de tentoonstelling. De veelzijdigheid van Jespers’ werk wordt goed tentoongesteld en de niet-chronologische opstelling van de beelden zorgt dat er onderlinge verbanden gelegd kunnen worden en dat er een zekere eenheid in het werk is. Bovendien geeft de expositie een aardige inkijk in de stijlkeuzes en stijlontwikkelingen in het Interbellum ver buiten Parijs, de artistieke hoofdstad dier dagen, en het streven van een Vlaamse beeldhouwer om boven het provincialisme uit te komen zonder de eigen lokale individualiteit op te geven.

En ook overigens zijn er gewoon mooie beelden te zien.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bertus Pieters

1902-04, Epstein, Jacob, Baby Asleep, brons, 9,5, privécollectie*Jacob Epstein, Baby asleep, brons, 9,5 cm, 1902 – 1904 (privécollectie)

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: