Skip to content

Momenten van compleetheid; Reflecties, Daan van Golden in het GEM

29 april 2014

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

En dan kun je zien wat een schilderij voorstelt en dan is het wéér niet goed. Dan is het kopiëren en dat staat bij alle artistieke processen wel erg laag in aanzien. Kopiëren staat voor een gebrek aan verbeeldingsvermogen; het lijkt eerder een obsessie dan een scheppende activiteit.

Daan van Golden 02

Daan van Golden 03

Maar wat is kopiëren eigenlijk? Neem bijvoorbeeld Margrieten / Tokyo, een olieverfschilderij uit 1963 (Caldic Collection, Wassenaar) van Daan van Golden (1936) en momenteel te zien op zijn overzichtstentoonstelling Reflecties in het Haagse GEM. Als dit gekopieerd is, wát is er dan gekopieerd? Is het een stuk pakpapier, is het een dessin van een overgebleven coupon? Dat is aan het schilderij niet te zien, want het patroon met de margrietjes is wel geschilderd, maar de stof waarop de margrietjes stonden, het papier of textiel, is niet weergegeven. En is het wel gekopieerd van een oorspronkelijk patroon? In feite zijn al die vragen niet zo erg belangrijk, immers, je hebt hier met het resultaat te maken en, wat het oude verhaal ook was, dit is een nieuw verhaal. Een verhaal van toewijding en rust. Toewijding en rust om dit te maken en daarmee ook toewijding en rust om ernaar te kijken.

Daan van Golden 04

Daan van Golden 05

Dat geldt nog meer voor twee werken als de rood-witte composities uit 1964 (links Caldic Collection, Wassenaar; rechts Centraal Museum, Utrecht) die hier samen een treffend tweeluik vormen. Als kijker kan het moeilijk zijn om vat te krijgen op dit tweeluik want het lijkt geen begin of eind te hebben, behalve dat beide luiken begrensd zijn door een lijst. Het is een soort minimal music met zijn repetitieve patronen, het begint, het wordt in het midden even onderbroken en het eindigt weer. De onderbreking brengt ook een kleine verschuiving in het ritme teweeg. Verder is er een licht verschil in toon tussen beide luiken en de motiefjes zijn rechts kleiner dan links. Dat alles zorgt voor een zekere spanning in dit werk. Van dichtbij zie je het nauwkeurige handwerk met de Japanse lakverf. Van een afstand heeft het werk iets fabrieksmatigs met zijn herhalende patroon, van dichtbij is het duidelijk handwerk.

Daan van Golden 06

Maar het is niet de emotie of expressie die je ziet, het is de menselijke hand die, gestuurd door de hersenen, een waarneming vertaalt, deels trouw aan die waarneming, deels opnieuw geïnstrumenteerd. In een interview in 1950 zei Jackson Pollock (1912 – 1956), de grote en invloedrijke, abstract-expressionistische maker van de drippings (schilderijen die tot stand kwamen door intuïtief verf te laten lekken en spetteren op het op de vloer liggende doek), dat het hem opviel dat de meeste moderne schilders voor hun onderwerpen niet meer buiten zichzelf hoefden te zoeken: zij konden de onderwerpen in zichzelf vinden. Het ging immers om het innerlijk, over de psyche. Dat idee kreeg in de daaropvolgende jaren zowel navolging als tegenstand. Bij Daan van Golden kreeg het beide. Als jonge schilder was de expressie van het gebaar in het schilderen voor hem belangrijk, in navolging van de abstract-expressionisten. Maar hij bekeerde zich later tot een andere benadering, waarin het gebaar van de schilder nauwelijks een rol speelt. Zijn hand werd meer een seismografisch instrument dan een instrument om wilde en grootse bewegingen mee te maken.*

Daan van Golden 07

Daan van Golden 08

Prachtig is dat bijvoorbeeld te zien in Compositie met rode ruit uit 1964 (particuliere collectie). Het onderwerp is bepaald niet uit het innerlijk gehaald, het voorbeeld zal een zakdoek, een theedoek of een andere doek zijn geweest, een simpel, geometrisch uitgangspunt. Toch is wederom de oorspronkelijke stof van het voorbeeld niet weergegeven, het gaat puur om het patroon. De lakverf, die Van Golden hier gebruikt heeft, past goed bij een dergelijke weergave. Kijk alleen al naar de mooie, dikke, glanzende banden die de ruit benadrukken en zelfs enige diepte geven. Maar ook wordt de strakheid van het geheel benadrukt doordat Van Golden het doek, waar hij de compositie op geschilderd heeft, op een paneel bevestigd heeft. Zelfs de verende weerstand van een opgespannen doek was de hand van Van Golden niet vergund.

Daan van Golden 09

Daan van Golden 10

Die diepte die de glanzende banden suggereren in Compositie met rode ruit, maar die ook onmiddellijk weer ontkend wordt, wordt een onderwerp op zichzelf in Two Paintings uit 1965 (collectie Becht, Naarden). De suggestie van een doek in een doek wordt benadrukt door de donkere verticale schaduwlijn en het perspectief, maar wordt tegelijk ontkend door de doorlopende donkerblauwe banen. Ook het idee dat het doek in een ruimte zweeft, benadrukt en ontkent tegelijk de diepte.

Daan van Golden 11

Maar uiteindelijk hoeft ook de diepte bij Van Golden niet in de innerlijke verbeelding gezocht te worden: met Gele reflectie (1968-1974; collectie Van Adrichem en Van Nieuwenhuyzen) laat hij de kijker zien wat diepte is, hoe veranderlijk die is en vooral ook hoe die gemystificeerd kan worden. In het stralende geel met daarvoor het spiegelende plexiglas kan de kijker zichzelf zien, staand in de tentoonstellingsruimte. Maar het geel, dat van zichzelf alles binnen het vlak overstraalt, absorbeert ook alle nuances, zodat je jezelf alleen maar als een anonieme geest in een onbepaalde ruimte kunt zien.

Daan van Golden 12

Daan van Golden 13

De ruimtelijke suggestie en ontkenning wordt op een heel andere wijze gemaakt in een compositie in eitempera en potlood (Boijmans van Beuningen, Rotterdam) uit 1973-1975. Contouren van planten lijken hier op door elkaar warrelende schaduwen. Maar van dichtbij valt het materiaal op. Eitempera is een materiaal dat bijzonder snel droogt en daardoor steeds maar in korte streken aangebracht kan worden. Dat geeft, als je goed kijkt, een zekere wolkigheid in de kleurvlakken. En dat benadrukt weer twee zaken: de toewijding waarmee het werk gemaakt is en de levendigheid van de kleurvlakken die een soort ruimtelijke suggestie met zich meebrengt die niets met de ruimtelijke suggestie van de over elkaar heen schuivende schaduwen te maken heeft. Nu ja, ze hebben natuurlijk wel met elkaar te maken, want ze zitten beide in één compositie en vullen elkaar aan.

Daan van Golden 14

Daan van Golden 15

Daan van Golden 16

Wie al het bovenstaande bij elkaar optelt, ziet dat Van Golden, ondanks dat hij zich niet met de expressie van allerhande emoties bezighoudt, allerlei aspecten van de beeldende kunst belicht. Toch komen een aantal essentiële vragen als wat zie je, wat zie je niet, wat denk je te zien en hoe kijk je naar iets, steeds weer terug. En het zijn juist die vragen die het kijken uitlokken. Van Goldens werk is niet voor snelle kijkers. Zo hangen twee zelfstandige, kleine werken op de tentoonstelling samen als een tweeluik: Sleeping Buddha, een collage uit 1973-75 (Centraal Museum, Utrecht) en Smoking uit 1976 (Gemeentemuseum, Den Haag) gemaakt met potlood en goudverf. Beide werken zeggen iets over de suggestie van vormen. In Smoking berust die suggestie min of meer op toeval. In de goudvlekken zag Van Golden sigarettenrokende hoofdjes. Een komisch toeval dat zich moeiteloos schikt naast de suggestie van een Boeddha die sluimert in het geplooide lichtblauw, de bloemen en de decoraties. Een opperste gelukzaligheid die in Smoking overgaat in kostbaar goud en humor. Het toont ook aan dat de optelsom van deze tentoonstelling meer is dan het aantal werken.

Daan van Golden 17

Betekenissen, herkenningspunten en bedoelingen kunnen in een beeld zomaar ontstaan en dat zij niet zomaar lijken te zijn ontstaan, is de kracht van een beeld. De fotografie heeft wat dat betreft veel invloed gehad op de beeldende kunst van de twintigste en eenentwintigste eeuw. Immers, een foto kan onderdelen, details tonen die je in het echt niet zag toen je het plaatje schoot. Maar iemand die zijn ogen de kost geeft (en het leven van kunstenaars en fotografen bestaat uit bijna niets anders) heeft juist wél oog voor die onderdelen en details. Van Golden benadrukt ze bijvoorbeeld in de foto Schiedam (Stedelijk Museum, Schiedam) uit 1977. De foto die hij maakte van het hoofd van een sculptuur met de schaduw van de staken van een tropische plant of van riet, is zo’n foto van een ongezien detail. De kop zelf kan die van Krishna zijn, met de pauwenveer op zijn hoofd en de staken zouden naar bamboe kunnen verwijzen, waaruit de fluit van Krishna was gesneden, die weer de mens symboliseert die door goddelijke adem tot leven kwam. Naast dergelijke meer intellectuele betekenissen is het ook de vorm van een profiel waar staken uit groeien of steken. Maar de foto toont ook de donkere vorm en de lichte tegenvormen die onafscheidelijk in elkaar grijpen. De leegte krijgt daardoor een betekenis die alleen zichtbaar wordt in de kadering van de foto. En het is niet alleen de leegte van de tegenvormen, maar ook die van de donkere vorm, die immers niet meer dan een schaduw is. Het gefotografeerde detail was oorspronkelijk ook tijdelijk, want afhankelijk van de zonnestand en het moment dat Van Golden het zag en besloot er een foto van te maken. Van Golden heeft daarmee een moment van verwondering en een soort compleetheid vastgelegd, een compleetheid van denken en zien, van vinden en zoeken.

Daan van Golden 18

Daan van Golden 19

Van Golden tracht die momenten van compleetheid in feite steeds in zijn werk te bereiken. Of dat nu is door iets fotografisch vast te leggen en te kaderen of door met verf een geziene realiteit te vertalen. Dat vertalen of opnieuw instrumenteren (als het muziek was) fungeert bij Van Golden als een soort vingerwijzing naar hoe bijzonder iets is. Het gaat dan soms om zulke dagelijkse zaken als zakdoeken en theedoeken, maar het kan ook gaan om iets triviaals als een behangsel- of ander patroon, zoals in een titelloos werk uit 1978 (Gemeentemuseum, Den Haag). Of het uitgangspunt echt een behangselpatroon was of enig ander patroon, doet er in feite niet meer toe. Het gaat om de herhaling van motieven en ritmes waarvan Van Golden een zeefdruk gemaakt heeft (op zich al een vertaling van een beeld) en die vervolgens heeft bewerkt met lichtblauwe olieverf. De handeling met de olieverf verdoezelt de ritmes van het patroon enigszins en maakt geen enkele herhaling van een motiefje gelijk aan de andere. Je kunt dat zien als het resultaat van een louter mechanische handeling, maar dan mis je de toewijding van de handeling om het patroon met het onwerkelijke lichtblauw tot een soort bloei te laten komen. Ieder onderdeel van dit werk is van belang.

Daan van Golden 20

Daan van Golden 21

Een vingerwijzing van Van Golden hoeft niet klein de zijn en dat ieder onderdeel van een werk van belang is, wil niet zeggen dat het ook bewerkt is. Bij Van Golden voegt leegte iets toe. Dat was al eerder geconstateerd, maar het wordt des te duidelijker in Mozart (Gemeentemuseum, Den Haag) uit 1978. Met een lange potloodlijn heeft Van Golden het profiel van Mozart getekend op een met latex gegrondeerd doek. Het profiel is reusachtig groot als dat van een reusachtig Boeddhabeeld of het portret van Constantijn de Grote. En binnen de esthetische kosmos van Van Golden verdient Mozart wellicht ook een reuzenbeeld. Maar interessant is ook dat je door die ene lijn het profiel ziet en herkent, terwijl in de rechterhelft van het doek toch ook een vorm schuilt. In feite zijn vorm en tegenvorm hier gelijkwaardig getoond en zulks op monumentale wijze. Het doek met de enkele lijn is met plexiglas beschermd waarin je jezelf als bezoeker weer ziet staan en je een idee krijgt van de monumentaliteit van de compositie zowel als van de relativiteit daarvan. Ook zie je dat je zelf de compositie doorbreekt wanneer je ervoor gaat staan. Wat bij het ene kunstwerk hinderlijk kan zijn, wordt hier op die manier een toevoeging aan de beleving ervan.

Daan van Golden 22

Daan van Golden 23

Je kunt werken van Van Golden ook opvatten als de viering van dat waarvan het afgeleid is. Dat kan op een verbluffend eenvoudige wijze als in de Mozart uit 1978 of in de Gele Reflectie. Van Golden gebruikt daartoe ook de wijze van presentatie zoals in het olieverfschilderij Mitsukoshi uit 1986 (Gemeentemuseum, Den Haag). Mitsukoshi is een Japanse warenhuisketen en Van Golden heeft het fraaie verpakkingspapier van het warenhuis als uitgangspunt gebruikt. De olieverf ligt strak begrensd door een potloodkader op het doek en het geheel is vervat in een vergulde lijst. Maar wat wordt hier zo feestelijk omlijst? Dat het uitgangspunt een velletje chic pakpapier is, doet er eigenlijk weinig meer toe. Het speelse ontwerp blijft over en dat lijkt te bestaan uit drie schilderspaletten omgeven door verschillende organische vormen, zwevend in het wit. Zo wordt het een huldeblijk aan het schilderen.

Daan van Golden 24

Daan van Golden 25

Die viering, die feestelijkheid is eerder statig dan uitgelaten, zoals ook in Studie ’86 (Boijmans van Beuningen, Rotterdam) een lakverfschilderij eveneens met vergulde lijst uit 1986. Het is de uitvergroting van een detail die hier de statige lijst verdient. Het detail is dan ook uitgevoerd in lakverf, waarbij Van Golden een verschil maakt tussen het dekkend zwart en het wolkige grijs ernaast. Maar wat het uitgangspunt is, blijft verborgen. Het niet kennen of herkennen van het uitgangspunt van een werk kan in principe zelfs bijdragen aan zijn aantrekkingskracht. Het is een vorm van leegte, een leegte die bij de kijker opgevuld wordt door vragen en suggesties.

Daan van Golden 26

Daan van Golden 27

Een andere leegte wordt verkregen door het niet invullen van vormen zoals in een groot titelloos schilderij uit 1988 (Gemeentemuseum, Den Haag) waarin de contouren getekend zijn van grote plantaardige vormen tegen een achtergrond van latex en olieverf. De hele compositie geeft het idee in een paar momenten te kunnen verdwijnen. De potloodlijnen worden op grote afstand amper opgemerkt en het zachte blauw dreigt te verdwijnen achter het wit. Bovendien wordt de regelmaat in het blauw en het wit, een vaag idee van een patroon, pas juist weer meer van een afstand duidelijk. En zo wisselen het blauw, het wit en de potloodlijnen elkaar af in wat de voorgrond of de achtergrond is. In feite ontstaat er daardoor een leegte waarin alles lijkt te zweven en onzeker is.

Daan van Golden 28

De fotografie van Van Golden is niet ruim vertegenwoordigd op de tentoonstelling, maar er hangt onder meer wel de serie New Delhi uit 1991 (Micheline Szwajcer Gallery, Antwerpen), zes kleurenfoto’s van viooltjes. Van Golden laat zien hoe de vioolbloemetjes zich samen binnen een kader gedragen als een groepsportret. De bloemetjes die zo op gezichtjes lijken, worden in het midden van de serie groter en staren de kijker nieuwsgierig aan vanuit de donkergroene achtergrond. De witte viooltjes dringen zich het eerste op, waarna de paarse viooltjes pas opvallen. En met het paars valt ook de vorm van de groene blaadjes op. Ook is weer sprake van een vertaling of een nieuwe instrumentatie van het uitgangspunt, door de presentatie in een serie met grote onderlinge verschillen, maar met dezelfde grootte en uniform met goudkleurige lijstjes. Een verbluffend simpel uitgangspunt leidt weer tot een moment van compleetheid.

Daan van Golden 29
Daan van Golden 30
Daan van Golden 31

Daan van Golden 32

Er zijn thema’s waar Van Golden steeds weer op terug komt, zoals de parkiet van Henri Matisse (1869 – 1954), waarvan twee uitvoeringen te zien zijn op de tentoonstelling, één uit 2002 (Van Lierde Collection) en één uit 2003 (collectie de Heus-Zomer), de eerste in wit op lichtblauw, de tweede in rood op wit. De parkiet is afkomstig uit Matisses monumentale knipsel La perruche et la sirène uit het Stedelijk in Amsterdam. De compacte maar elegante vorm lijkt geknipt om door Van Golden verwerkt te worden. Door de parkiet als een soort eiland in een zee te beschouwen krijgen zowel de vorm als de omhullende vorm een aanvullende betekenis voor elkaar. De wit-op-blauwe vorm benadrukt dat nog het meeste. Het koele blauw en het wit vechten om prominentie, terwijl in het schilderij uit 2003 het rood vanzelf naar voren komt.

Daan van Golden 33

Het verhaal wordt weer anders in Studie A.G. uit 2005 (particuliere collectie) naar een beeld van Alberto Giacometti (1901 – 1966), hier in een uitvoering van rood op wit. Het driedimensionale beeld is hier vervlakt tot zijn contour. Maar ondanks dat alle karakteristieken binnen de contour weg zijn blijft de vorm herkenbaar als een karakteristiek beeld van Giacometti. Daarmee verdiept Van Golden zich in de thematiek van Giacometti: de figuur in de ruimte en de invloed die zij op elkaar hebben. Daarbij slaat Van Golden een andere weg in dan Giacometti. Wie de vorm in het schilderij niet opvat als een contour van een sculptuur, kan er ook een scheur in een wit vlak in zien, waar doorheen helder rood naar voren komt. Op die manier perst de vorm zich door het wit naar de voorgrond.

Daan van Golden 34

Daan van Golden 35

Mozart komt weer terug in een olieverfschilderij uit 2010 (Gemeentemuseum Den Haag). Van Golden baseert zich op een silhouet van Johann Hieronymus Löschenkohl (1753 – 1807) uit 1785 en Mozart is er weer ontheven van de intimiteit van het uitgangspunt. De pruik met de staart en strik en de gestrikte kraag geven het silhouet een extra elegant en gekunsteld karakter, dat hier opgeblazen wordt. Als de parkiet uit 2002 lijkt de vorm als een eiland in een zee te drijven. Maar dit keer is het een eiland met landtongen, kapen en baaien (die als neuzen in het land steken) en zelfs met een meertje. Anderzijds doet het lichte blauw ook denken aan de pasteltinten van kleding en huisinrichting uit Mozarts tijd waarmee het schilderij zelf een Mozartiaanse klank krijgt. Ook de evenwichtige plaatsing van de vorm in het midden van de rechthoek draagt daaraan bij. Maar dat is iets wat ook gebeurt bij Studie A.G. en in de Matisse-schilderijen en dat maakt het Mozart-schilderij in feite nog completer.

Daan van Golden 36

Klik op de plaatjes voor een vergroting.
Met excuus voor de kwaliteit, sommige werken zijn moeilijk te fotograferen.

Bertus Pieters

* Ondanks dat zijn er ook overeenkomsten met de drippings van Pollock. Ten eerste gebruikt Van Golden in een groot aantal werken net als Pollock het gehele vlak van zijn schilderijen. Er is geen onderdeel van het vlak dat niet evenredig van belang is voor het geheel. Je kunt zelfs stellen dat Van Golden verder gaat dan Pollock: de achtergrond wordt bij hem net zo belangrijk als de voorgrond, dusdanig dat je je kunt afvragen of de achtergrond niet de voorgrond is en vice versa. Ten tweede is net als bij Pollock het gebaar, de actie van het schilderen van belang. Alleen bestaat een groot deel van de actie van Van Golden eruit sporen van emotie en expressie te vermijden. Maar dat maakt de actie in wat er te zien is bij Van Golden niet minder belangrijk dan bij Pollock.

Zie ook: http://trendbeheer.com/2014/04/17/daan-van-golden-gem/

http://www.gem-online.nl/wp-content/uploads/2014/02/eBook_vanGolden_WEB.pdf

http://www.lost-painters.nl/gem-daan-van-golden-reflecties/

 

2 reacties
  1. kanton bubahsky permalink

    dank voor deze mooie virtuele tentoonstelling, bertus!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: