Spring naar inhoud

Esthetiek voor de revolutie. Emory Douglas, All Power to the People!; West (Huis Huguetan), Den Haag

10 november 2018

West, in zijn huidige, tijdelijke onderkomen Huis Huguetan, heeft daar onverholen museale neigingen gekregen (het heeft inmiddels een chique toegangsprijs, maar je mag er gratis in met een Museumjaarkaart), misschien als een voorschot op dat andere, meer modernistische paleis op het Lange Voorhout, de voormalige Amerikaanse ambassade, het Marcel Breuergebouw. Beide paleisjes hebben een geschiedenis die verweven is met macht en rijkdom, of liever de macht van rijkdom. De huidige museale presentatie van werk van Emory Douglas (1943) en diens binding met de Black Panther Party, ondubbelzinnig All Power to the People! getiteld, krijgt daarmee toch een meerzijdige betekenis. The People in de titel, dat zijn duidelijk niet de machthebbers en hun slippendragers, dat zijn niet de 18de-eeuwse mevrouw Huegetan en Daniël Marot, de architect van haar paleisje, noch zijn het de Amerikaanse overheid en de architect van de ambassade, Marcel Breuer. The People was tijdens de bouw van beide paleizen waarschijnlijk op zijn minst onverschillig. De bouw een halt toeroepen onder druk van The People zou in wezen ook weinig hebben uitgemaakt, want de macht en de rijkdom zouden er niet door aangetast zijn. Het lijkt bijna symbolisch dat juist All Power to the People! de laatste tentoonstelling van West is in Huis Huguetan voor een net zo tijdelijke verhuizing naar het Marcel Breuergebouw, voor zoveel decennia die vooruitgeschoven post van Grote Broer Amerika, op steenworpafstand van het Binnenhof.

Als een vis tracht West tussen de mazen van de mainstream-kunst door te zwemmen om te kijken wat daaronder leeft en hoe de moderne historie zich ontwikkeld heeft en zich nog steeds ontwikkelt. Tegelijkertijd wil het zich ook niet conformeren aan het alternatief van jong en hip, dat ons zo vaak wordt voorgeschoteld als een kleurrijke en creatieve hoop op de toekomst, die vooral verdoezelt hoe deze jonge generaties gedwongen worden in een rat race. Maar het gaat West niet alleen om het tonen van die onderstroom die van onderuit prikt tegen de bovenstroom, die bovenstroom van onverschilligheid die zo vaak voor consensus wordt aangezien. Er zit een esthetiek in die onderstroom en die esthetiek heeft ook een geschiedenis. Nu West zo’n beetje tussen Huis Huguetan en het Marcel Breuergebouw in zit, tussen de late barok en het modernisme, twee machtsstijlen, speelt die esthetiek een belangrijke rol.

In All Power to the People! gaat het vooral om de esthetiek van de Black Panther Party en in het bijzonder om die van de belangrijkste illustrator daarvan: Emory Douglas. Douglas was de Minister van Cultuur van de Black Panthers, hij bepaalde de grafische stijl van het orgaan The Black Panther en verzorgde er de illustraties voor. The Black Panther is het belangrijkste onderdeel van de tentoonstelling bij West. Eens te meer blijkt hoe zeer de esthetiek ervan door de inhoud bepaald wordt en hoezeer die esthetiek niet los te zien is van de inhoud. Douglas’ stijl is direct en begrijpelijk. Zijn werk is duidelijk propagandistisch maar heeft geen dubbele bodems, het staat waar het voor staat. Het is erop gericht mensen bewust te maken en ze te wijzen op hun potentiële macht. Niet alleen de illustraties, ook de vormgeving van The Black Panther was in Douglas’ handen. Naast The Black Panther maakte hij ook flyers en affiches. Op die manier ontstond er een samenhangende beeldtaal voor de Black Panther Party, en dat was ook een doeltreffende taal.

Douglas begon zijn werk in 1967. De Black Panthers gaven juist hun eerste nieuwsbrief uit. Douglas, die constateerde dat die er veel beter uit kon zien, verzorgde vanaf nummer twee de volgende uitgaven. Het was nog maar twee-en-een-half jaar na de inwerkingtreding van de Wet op de Burgerrechten in de Verenigde Staten en racisme, hoewel officieel niet meer geïnstitutionaliseerd, tierde nog welig (en het blijkt dat het een halve eeuw na dato nog steeds hardnekkig ingeroest is).

Douglas’ figuren zijn niet meelijwekkend maar weerbaar en zelfbewust. Hoezeer ook arm en benadeeld, met deze zwarte mensen valt niet te spotten. Met dikke lijnen die doen denken aan Expressionistische houtsneden zijn de figuren stevig weergegeven. Die stevigheid van contouren en lijnen ondersteunt de zelfbewuste karakters van de figuren. Met dergelijke lijnen kunnen zij tegen een stootje. The Black Panther moest natuurlijk met erg weinig geld gemaakt worden en dus waren de illustratietechnieken eenvoudig. Douglas zorgde ervoor dat hij met minimale technieken zijn figuren plasticiteit kon geven. Met een beperkte voorraad aan soorten arceringen en beperkte kleuren moest hij de figuren enige diepte weten te geven, diepte die de figuren nog steviger articuleerde. Zijn figuren kregen daardoor een zekere retorische uitstraling; zij waren zowel “echt” als symbolisch. Daarnaast combineerde hij zijn figuren ook met collages, eveneens ingevuld met heel beperkte kleuren. Zijn cartoons, waarin veelvuldig blanke kapitalisten en met name politieagenten werden voorgesteld als varkens en soms ook als ratten, zijn beduidend conventioneler en de humor erin is treffend humorloos (tegenstrijdig zo dat moge klinken), zoals vaker het geval bij ideologisch getinte cartoons. De tentoonstelling biedt hoofdzakelijk werk uit de beginjaren van The Black Panther tot aan het begin van de jaren ’70. Er zijn films te zien, er zijn pamfletten te lezen en er is ook geluid uit de periode te horen. In één ruimte is ook een historische kadering te zien van de hoogtijjaren van de Black Panthers.

Het hoogtepunt van de Black Panther Party lag vooral in die eerste jaren. Hoewel aanvankelijk nogal een macho-club, opgericht als een mannenorganisatie die, desnoods gewapenderhand, zwarte Amerikanen moest verdedigen tegen racisme en fascisme van de Amerikaanse overheid, met name de politie, werd de partij spoedig inclusiever. De partij vond al vrij snel aansluiting bij de vrouwenbeweging, bij antikapitalistisch- en Marxistisch georiënteerde bewegingen, bij andere minderheden en ook internationaal bij niet-westerse landen. Daarmee sloten de Black Panthers aan bij de revolutionaire tijdgeest onder babyboomers in de westerse wereld in de tweede helft van de jaren zestig, bij emancipatiebewegingen, protesten tegen de Viëtnamoorlog en, ondanks de militante tendens onder de Black Panthers, bij de vredesbeweging. De Black Panthers waren allemaal twintigers, ontdekkend en vol revolutionair elan, zowel realistisch als naïef. De tijd leek fundamentele veranderingen onder handbereik te hebben met name ook voor zwarte mensen. Afrikaanse landen waren juist onafhankelijk geworden, sommige na een bloedige strijd met de blanke, Europese bezetters. Met de inwerkingtreding van de Wet op de Burgerrechten leek er ook voor jonge zwarte Amerikanen veel te bevechten en te bereiken. De Robin Hood-mentaliteit van de jonge Black Panthers bleek echter een zachtgekookt eitje voor de FBI, die met niet al te veel moeite tweedracht wist te zaaien en aan te zetten, zowel binnen de partij als bij haar bondgenoten. Dat zorgde er mede voor dat in de jaren zeventig de betekenis van de Black Panthers enorm afnam. De revolutie wilde niet erg komen, de revolutionaire babyboomers hadden inmiddels zelf kinderen gekregen, bouwden aan hun eigen carrières en sloten te dien einde compromissen met de burgerwereld of zagen hun idealen als een mooi product voor een nieuwe markt. Voor anderen, als Emory Douglas, is de strijd dezelfde gebleven. Toch ligt zijn historische kracht vooral in zijn werk voor The Black Panther vanaf 1967 tot begin jaren ’70. Dat was de tijd dat zijn stijl onmiddellijk aansloot bij die van de tijdgeest waarin jonge zwarte Amerikanen niet slechts de andere wang naar de vijand wilden toekeren, maar die vijand ook actief wilden bevechten met zicht op succes. Met zijn stijl heeft Douglas wellicht menigeen de ogen geopend en de kracht gegeven die op dat moment nodig was.

Dat laat ook zien hoe tijdgebonden zijn werk is. De wereld is visueel inmiddels veranderd in een constant carnaval van beelden die om aandacht schreeuwen en daarmee de kijker eerder murw slaan dan energie geven. Sterk als Douglas’ beelden zijn, herinneren ze eerder aan een korte maar invloedrijke historische periode, voor sommigen een tijd van ware heroïek, voor anderen een mythe. De huidige tijd, zo vol van opdringerige beelden, is er een die juist moeilijker te bespelen is met beelden. De beeldconcurrentie is eenvoudig te groot. Wat Douglas goed door had, was dat herhaling van simpele beelden een belangrijk wapen was en dat geldt nog steeds. Daar staat tegenover dat de herhaling van gemanipuleerde beelden en nieuwsfeiten die een negatieve wereldvisie bevestigen tegenwoordig de voorkeur bij het publiek lijken te hebben. Het publiek (The People) wordt een wereld voorgetoverd die het in zijn negatieve gevoelens of in zijn angsten voor de boze buitenwereld naar de mond praat en oplossingen geeft door één leider, één product, één levensstijl of één radicaal gebaar. Een beeldend tegenoffensief lijkt moeilijk en menig geëngageerd  beeldend kunstenaar breekt zich het hoofd over hoe de beeldende boodschap doeltreffend gemaakt kan worden. Misschien dat juist daarom activisme steeds meer vereenzelvigd wordt met kunst. Dan maar géén beeld, lijkt de gedachte. Anderzijds, in al zijn eenvoud en directheid doet de stijl van Douglas’ werk ook denken aan graffiti, een zeer communicatief genre dat juist opkwam na de hoogtijdagen van de Black Panthers. Helaas is de geëngageerde graffiti, mede door toedoen van Banksy, maatschappelijk dusdanig geaccepteerd en geïncorporeerd geraakt dat hij tandeloos is geworden, in feite al vóór het ooit wat had kunnen worden. In feite is dat de extra uitdaging die de geëngageerde beeldende kunstenaar te verstouwen heeft: hoe raak je bekend met je specifieke esthetiek en zet je mensen aan het denken, terwijl je buiten het marktmechanisme blijft. Dat was ook in de zestiger jaren al een probleem, maar we leven nu in tijden dat werkelijk iedere tegenbeweging onmiddellijk commercieel gemaakt wordt of moet worden om enig succes te hebben. Het is echter mogelijk dat dat in met name West Europa ook met de tijdgeest te maken heeft: eind jaren ’60 viel er nog iets te veroveren voor jonge mensen, nu valt er vooral veel te verliezen.

Douglas’ esthetiek van het verzet, en daarmee de esthetiek van de Black Panthers, valt nog steeds op door zijn directe retorische kracht en dat wordt nog eens benadrukt door de harde tegenstelling met de opulente late barokstijl van Huis Huguetan. Wellicht weet ze daardoor nog steeds te inspireren. Hoewel racisme een halve eeuw na dato nog steeds een probleem is, lijkt Douglas’ esthetiek echter toch te zeer verbonden met de late jaren ’60 om nog effectief te zijn. Misschien dat Wests nieuwe behuizing in het Marcel Breuergebouw een impuls geeft voor de zoektocht naar de betekenis en aansprekendheid van esthetiek in onze tijd.

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

 

Bertus Pieters

Zie voor meer plaatjes: https://villanextdoor2.wordpress.com/2018/11/10/all-power-to-the-people-emory-douglas-and-the-black-panthers-west-the-hague/

Zie ook: https://selectionneur.nl/2018/10/05/emory-douglas-all-power-to-the-people/

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: