Spring naar inhoud

I Ain’t No Joke. Even if it’s Jazz or the Quiet Storm; Nest, Den Haag

13 december 2018

Het is geen kleinigheid om een tentoonstelling samen te stellen met werken van 21 kunstenaars, zoals momenteel bij Nest. Groepspresentaties kennen sowieso veel voetangels en klemmen en dat geldt des te meer voor een show met objecten en installaties als Even if it’s Jazz or the Quiet Storm. Veel groepstentoonstellingen hebben een overkoepelend thema, waaraan de individuele kunstwerken ondergeschikt zijn. Wie in zo’n show aandacht besteedt aan een specifiek kunstwerk doet dat thema te kort, wie alleen kijkt naar de kunstwerken in relatie tot het thema doet de individuele kunstwerken tekort. Tenzij zo’n tentoonstelling een slagveld van ego’s is, kunnen individuele kunstenaars van enig gelijkwaardig gehalte in een grote groepstentoonstelling nauwelijks schitteren. Ze zijn overgeleverd aan de grillen van de tentoonstellingmaker die met het geheel een bepaalde indruk wil nalaten bij de bezoeker. Een tentoonstellingmaker kan er nog zó mee schermen dat de kijker vrijgelaten wordt om een eigen mening te vormen, het stempel en de boodschap van de samensteller blijven dominant. Tentoonstellingen maken is, hoe je het ook wendt of keert, een soms verregaande manier van toe-eigening.

Dan is er nóg een interessante problematiek bij het maken van een grote groepspresentatie: de kunstwerken hebben invloed op elkaar en tezamen hebben ze invloed op de ruimte en de ruimte heeft invloed op hen.  Meerdere werken van ogenschijnlijk gelijke strekking kunnen elkaar knevelen in zeggingskracht. Een teveel aan juist heel verschillende objecten die op een weinig geïnspireerde manier getoond worden, hebben hetzelfde effect. Maar geraffineerd gedaan, kunnen de verschillende objecten dusdanig gepresenteerd worden dat het oog van de kijker als vanzelf van het een naar het ander getrokken wordt. In het beste geval kan het ene kunstwerk het andere versterken en daar is de ruimte cruciaal in. Een ruimte kan groot of klein zijn, hoog of laag, en kan ramen hebben, licht van boven of helemaal afgesloten zijn, met andere woorden: een ruimte stelt haar voorwaarden. Een grote tentoonstelling kan verspreid worden over meerdere ruimtes die meer of minder verschillen van karakter. Daarmee kan een thema als het ware in verschillende hoofdstukken verdeeld worden en kan de tentoonstellingmaker het thema nuanceren. Een geraffineerde belichting en enige sturende teksten doen de rest.

In Even if it’s Jazz or the Quiet Storm hebben Dan Walwin (1986) en Vincent van Velsen (1987) als tentoonstellingmakers getracht met een aantal van die bijna traditioneel geworden regels te breken. De tentoonstelling heeft in principe geen overkoepelend thema, hoewel je dat op zichzelf weer als een thema kunt beschouwen. Want welke kunstwerken worden dan gekozen om getoond te worden? In het geval van deze show gaat het om een aantal kunstwerken die doen wat objecten in principe altijd doen: ze zijn materieel, maar suggereren een andere dan die materiële betekenis en ze hebben het vermogen een zekere invloed uit te oefenen op de ruimte in de ogen van de beschouwer. Het gaat hier specifiek om die eigenschap, los van allerlei maatschappelijke contexten. Dat maakt het ook mogelijk aandacht te besteden aan de wisselwerking tussen ruimte en kunstwerken en de betekenis die dat heeft voor de kunstwerken. Nest is in principe een groot lokaal dat door schotten en muren in meerdere ruimtes is onderverdeeld.

Als een welkom steekt door het raam een sproeiende douche van Dan Walwin (die hier ook als kunstenaar deelneemt en ook voor een belangrijk deel verantwoordelijk is voor de vormgeving van de show) naar buiten naast de ingang. Het warme water zou enige stoom af moeten geven in het winterse weer. In de binnenruimtes zijn er een aantal werken die per ruimte domineren en een aantal werken die een soort brug vormen tussen de ruimtes in.

Een dominant werk in de voorruimte is Durachew van Nicholas Riis (1987), één uit een serie werken die hij de laatste tijd heeft gemaakt, die lijken op een soort koffers, extravagante beautycases, decadente babypaketten of beautyvloggers-relikwiekisten die blijkbaar een volstrekt eigen leven zijn gaan leiden. De titel doet eerder denken aan synthetische hondenbotten. Het werk is zowel aaibaar als afstotelijk, zoals het de echte schoothond betaamt. De douche van Walwin en Riis’ Durachew zetten de toon als eigenzinnige objecten met een eigen karakter dat voorbijgaat aan enige functionaliteit.

Dat wordt ook bevestigd door het scharnierwerk tussen de voorruimte en de daaropvolgende ruimtes, Hormones van Evita Vasiljeva (1985). Dat werk krijgt bijna automatisch die scharnierfunctie, niet alleen omdat het op die plaats staat maar ook om zijn open karakter. De rommeltjes eromheen geven het idee dat er juist iets met het werk is gebeurd of dat er nog iets aan moet gebeuren. Daarnaast is het ook interactief: bij stampen met de voet verandert de kleur van het licht. Je kunt het als toeschouwer beïnvloeden maar het weigert functioneel te zijn.

De volgende ruimte wordt gedomineerd door een tapijt van Pieter van der Schaaf (1984). Daar het een groot deel van de breedte van de vloer bedekt, ben je als bezoeker min of meer genoodzaakt er overheen te lopen. Het patroon van rode lijnen over de lichtgrijze ondergrond doet denken aan zich onder de vloer bevindende leidingen. Op het tapijt verspreid liggen enige stelletjes hondenpoten. Dat maakt dat je je als bezoeker niet vrij voelt onbezorgd over het tapijt te lopen, terwijl het patroon van rode lijnen juist een kinderlijke neiging oproept het tapijt niet zomaar rechtstreeks te doorkruisen. Wat eruit ziet als een functionele vloerbedekking wordt een installatie die om aandacht vraagt alsof ze meer wil zijn dan dat.

Achter een volgend scharnierwerk Hot-bain marie drop-in van Saskia Noor van Imhoff (1982), straalt een rozerood licht naar de volgende ruimte. Het rode licht schijnt vanachter een oude bankomaat, nog uit de tijd van de spaarbankboekjes, op een donkere sokkel; ervoor ligt een steen. Het werk stond eerder dit jaar in Van Imhoffs tentoonstelling in de Hermitage in Amsterdam, waar het onderdeel was van een groter beeldend verhaal. In Nest wordt het onderdeel van een verzameltentoonstelling die uitgaat van de onkenbaarheid van artistieke objecten en installaties. Daaruit blijkt ook hoezeer een kunstobject niet los is te zien van zijn omgeving en de andere werken in de tentoonstelling waarvan het deel uitmaakt. Het mysterie van Hot-bain marie drop-in wordt er in dit geval door verhoogd en de installatie krijgt een wat surrealistische, onbehaaglijke en verlaten uitstraling.

Het werk met middelpuntvliedende kracht van Urara Tsuchiya (1979) in de laatste ruimte is opvallend klein maar prominent en dwingend omdat het midden in de ruimte staat als een gevonden heilige graal. Het is een keramische kom met daarin een decoratie met een meisje dat een kalfje zoogt. Op die manier uitgedrukt klinkt het nog redelijk neutraal en preuts, maar het kijken ernaar heeft zowel iets prettigs als iets voyeuristisch. Het gezicht van het meisje is bovendien bedekt door haar haar waardoor haar gezichtsuitdrukking niet te zien is.

Als veel andere kleinere objecten staat het schaaltje op een toonblad dat aan het plafond hangt. Nergens in de tentoonstelling worden sokkels gebruikt. Alleen deze toonbladen die op verschillende hoogten, van scheenhoogte tot buikhoogte, hangen en van verschillende afmetingen zijn, worden gebruikt. Op die manier wordt het zicht door de ruimtes niet belemmerd door overbodige volumes, terwijl, kijkend langs een object, andere objecten ook zichtbaar zijn. Dat is ook mogelijk omdat door een goede en vrij felle belichting zware slagschaduwen voorkomen worden. Er is zorg voor gedragen dat er zo min mogelijk ruis ontstaat door bijvoorbeeld schaduwen en dat ieder werk maximaal tot zijn recht komt qua belichting en getoond wordt met de idee dat het niets te verbergen heeft. De idee dat de objecten juist wel iets te verbergen hebben, komt daardoor vooral voor rekening van de aard van de kunstwerken zelf. Dat is ook te danken aan de verlichtingsarmaturen van Rubén Grilo (1981) die zowel bijzonder zijn (en ook weer een eigen leven leiden) als zorgen voor extra belichting. Een dergelijke quasiperfecte belichting en inrichting kan ook leiden tot een kille presentatie, waarbij de kunstwerken geïsoleerd worden in het licht en daardoor geen relatie meer hebben met hun omgeving waardoor een tentoonstelling een optelsom wordt van kunstobjecten zonder enige onderlinge relatie (wat nog wel eens wil gebeuren in een white cube-presentatie), maar door de avontuurlijke presentatie van de werken geldt dat bezwaar bij Even if it’s Jazz… niet.

Daar komt nog bij dat er in verschillende varianten beeldrijm is toegepast. Niet dat dat zo letterlijk gebeurt. Die letterlijkheid is er eigenlijk vooral wanneer een aantal op elkaar gelijkende werken van dezelfde kunstenaar, quasi-willekeurig gestrooid door de tentoonstelling, hier en daar opduiken: de drie tongachtige onderdelen uit het Nam Sub-project van Josse Pyl (1991) en de drie pizza-achtige werken uit de serie A Cannibal’s Banquet within the Fortress of Exclusion van Aline Bouvy (1974).

Er zijn echter andersoortige vormen van beeldrijm zoals de douche van Walwin en de naar beneden hangende lijntjes van het inhoudelijk overigens heel andere werk So darlin’, stand by me, I just wanna stay in the bed today van Sarah Pichlkostner (1988) dat er schuin tegenover hangt. Zo zijn er meer beeldrijmen en schijnbare innerlijke verwantschappen tussen de verschillende werken. Het zou een spoiler zijn om daar meerdere voorbeelden van te geven. Bovendien gaat het natuurlijk niet in de eerste plaats om die verwantschappen, maar om de manier waarop zij elkaars betekenissen beïnvloeden of versterken.

Er is in zijn geheel een fraai evenwicht in de show. De kilte die een dergelijke afgewogen tentoonstelling inclusief de relatief felle belichting zou kunnen hebben, zoals al eerder opgemerkt, wordt ondermeer voorkomen door de keuze van de kunstwerken zelf. Zo heeft het centraal gelegen vloerkleed van Van der Schaaf een belangrijke verzachtende, – zo je wil – huiselijke invloed op het geheel. Waar de tentoonstelling echter vooral in slaagt is het teruggeven van het primaat aan de kunstwerken, hun verschijningsvormen en hun individuele en gezamenlijke invloed op de kijker; dit in tegenstelling tot menige thematische tentoonstelling die de bezoeker vooral naar huis wil sturen met meer kennis over het thema. Voor zover deze presentatie je ergens mee naar huis wil sturen is het vooral met de idee dat kunst meer vermag dan alleen een thema origineel illustreren. De kunst is hier niet gevangen in een context van algemeen (economisch) nut. Dat levert een bijzonder fraaie tentoonstelling op waarin het loont om de kunstwerken individueel te bekijken maar ook vanuit verschillende perspectieven. Ook wordt de tentoonstelling niet verstoord door hinderlijk langdurige films of verslagen van performances, noch door lange, dwingende of onbegrijpelijke teksten. Het is een heel materiële presentatie. Je zult het met de objecten en installaties moeten doen, maar dat blijkt ook meer dan genoeg.

De titel, een regel uit de vroege rapklassieker I Ain’t No Joke lijkt er wat overbodig aan te bungelen. Quiet storm, een vervlakkende R&B-loot van de meer eerbiedwaardige jazz-stamboom, naast diezelfde jazz, samen in één zin, met de idee dat dat om het even is, is misschien een aardige indicatie, een leuk grapje voor wie het opvalt, maar dekt de lading bepaald niet. Hoe langer de titels, hoe minder de betekenis, maar dat mag de pret niet drukken, en de titel zou niemand moeten tegenhouden om deze tentoonstelling te gaan zien en er flink wat tijd voor uit te trekken.

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

 

Bertus Pieters

Zie voor meer plaatjes: https://villanextdoor2.wordpress.com/2018/12/14/even-if-its-jazz-or-the-quiet-storm-nest-the-hague/

Zie ook: http://jegensentevens.nl/2018/12/stilte-zegt-meer-dan-woorden-verdraaien/

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: