Spring naar inhoud

Tussen einde en begin #32: Rik Smits

16 januari 2019

Steden zijn er al sinds het begin van de geschiedenis. Ze waren er misschien de aanzet toe. Ze ontstonden op strategische punten, in gebieden met een rijk achterland, langs rivieren en zeeën met gelegenheid voor havens, langs handelsroutes en zo meer. Ze gaven enerzijds een gemeenschapsgevoel en een idee van bescherming, anderzijds een gevoel van meer individuele vrijheid. Wie zichzelf wilde beschermen tegen de willekeur en het geweld van heersers kon enige zelfstandige vrijheid verwerven in een stad. Steden zijn lang bolwerken van onafhankelijkheid geweest, jaloers gadegeslagen door heersers die hun inhaligheid maar nauwelijks konden bedwingen. Tegenwoordig zijn steden vrijwel allemaal onderhorig geworden aan een staat. De idee van een nationale staat met een volk met een gemeenschappelijk belang heeft de onafhankelijkheid van steden danig beknot en die idee heeft zich in de 19de eeuw over de hele wereld verspreid. Nu zijn de belangrijkste steden van een land de pronkstukken geworden die de vreemdeling moeten verwelkomen of afschrikken, maar vooral zijn het de plaatsen geworden die juist het succes van het centrale bestuur, vermengd met de onafhankelijke geest van de stad, benadrukken. Steden zijn de symbolen geworden die ook de eigen bevolking moeten overtuigen van dat succes. Het prestige van een stad is het prestige van een land. Was voorheen een stad omgeven door een muur en soms ook door een diepe gracht om de onafhankelijkheid van de bewoners te garanderen en het kwaad buiten te sluiten, een stad is nu een samenklontering van prestigieuze en minder prestigieuze gebouwen die vooral open en bereikbaar moet zijn.

De maquette van een stad, genaamd Capital One*, die Rik Smits (1982) in 2013 maakte, heeft schijnbaar geen enkele aanleiding. Er zijn geen sporen van een strategische plek, van een rijk achterland, van een haven of van een handelsroute, er is noch een stadswal noch een netwerk van infrastructuur dat toegang geeft tot de stad. Hier en daar zijn er schijnbaar wat moderne woonblokken en er zijn ook gebouwen die woningen zouden kunnen herbergen, maar de stad lijkt eigenlijk niet om in te wonen en je er praktisch te bewegen van punt A naar punt B.

Een stad – als ieder begrip – bestaat uit verschillende essenties, verschillende kerngedachten van waarom een stad er zo uitziet als zij eruit ziet. Zo kent een modern land woon- en slaapsteden, industriesteden, cultuursteden, provinciesteden, havensteden en zo meer. Allemaal types die zijn af te lezen aan de architectuur en infrastructuur van die steden. Natuurlijk zijn er veel meer aspecten en invloeden maar die architectuur en infrastructuur als dagelijks decor lijken voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor het karakter van de inwoners van de steden. Architectuur kan behoorlijk dwingend zijn. Architectuur dwingt de gebruikers ervan tot bepaalde verkeersbewegingen, tot een bepaald gebruik van de openbare ruimte en vooral ook: het dwingt hen een bepaald dagelijks uitzicht te aanvaarden. Dat uitzicht kan er neergezet zijn uit praktisch oogpunt of uit representatief oogpunt, maar het is, in wat voor stenen, beton of glas het zich ook verbergt, altijd in de eerste plaats een politiek uitzicht. Dat heeft niet met partijpolitiek maar met macht te maken. Wanneer er ergens een industriële opslagplaats met wat efficiënte kantoorruimtes worden neergezet, dan heeft dat een psychologische uitwerking op diegenen die er vaak tegenaan moeten kijken. Die architectuur zegt in feite: jouw wezen, jouw verbeeldingskracht, jouw creativiteit, jouw gevoelens zijn ondergeschikt aan de efficiëntheid van wat hier gebeurt; hier worden zaken gedaan en de rest is bijzaak. Dat is het politieke gebaar, de macht, van die specifieke architectuur. Wie wel eens in een Europese stad met een imposante gotische kathedraal in het centrum is geweest, voelt ongetwijfeld aan wat die architectuur van zo’n kerkelijke kolos te zeggen heeft aan de mensen die er dagelijks tegenaan kijken. Die architectuur dwingt tot bewondering voor zoveel vernuft, vakmanschap en kunstzinnigheid en de luister van een goddelijke macht die alles bestiert. Die architectuur zegt in feite: jouw wezen, jouw verbeeldingskracht, jouw creativiteit, jouw gevoelens staan in dienst van dit Hogere en konden niet bestaan zonder dit Hogere. Dat is het politieke gebaar van de grote, gotische architectuur. Een van de essenties van stedelijke architectuur is die psychologische machtspolitiek ervan en het lijkt erop dat Smits’ Capital One juist die essentie uitdrukt.

Een van de eerste zaken die opvalt aan de maquette is dat ze helemaal wit is. Misschien ben je aanvankelijk geneigd dat te aanvaarden als iets praktisch: het werk is door Smits gesneden uit polystyreen-hardschuim en dat materiaal is wit. Smits had er ook voor kunnen kiezen het polystyreen te kleuren of te beplakken met kleur, er groen geboomte en struikgewas tussen te zetten, de verschillende bouwmaterialen hun kleur te geven, de bestrating te kleuren enzovoort. Dat hij dat allemaal niet gedaan heeft, is een keuze. Smits is vooral bekend als tekenaar en wie zijn grote tekeningen van stadslandschappen kent, weet dat hij daar alleen maar kleur in gebruikt om reclameachtige zaken, de schreeuwerige zaken, te benadrukken. De bouwsels zelf noch de atmosfeer eromheen hebben kleur. In Capital One is kleur helemaal afwezig. Alleen de schaduwen in het werk, en die variëren naar gelang het werk belicht wordt, zorgen voor het zichtbaar worden van de architecturale vormen. Dat maakt ook dat, wanneer het licht gedempt is, de kijker zich kan verliezen in al die bouwkundige structuren, zonder afgeleid te worden door kleuren en constructiedetails. Daarnaast heeft het wit, met name sinds het 18de-eeuwse classicisme, de bijsmaak van perfectie gekregen. De chronische misvatting dat marmeren klassieke Griekse beelden en tempels wit waren, dat daarmee de esthetische zuiverheid van hun perfect geachte vormen het beste tot haar recht kwam en dat zij zo een voorbeeld voor de hele Westerse beschaving waren, werd in de 18de eeuw zo invloedrijk gepropageerd door de Duitse archeoloog Winckelmann, dat die idee ons nog steeds in het DNA zit terwijl ze allang gelogenstraft is. Zo wit, als om zijn perfecte zuiverheid te benadrukken, is Capital One. De perfectie van het wit in de beeldcultuur heeft iets onaantastbaars gekregen en die onaantastbaarheid zit ook in Capital One. Wie die onaantastbaarheid van het wit in het hedendaagse identiteitsvertoog wil betrekken, kan ruim terecht in dit werk van witheid of blankheid en de al dan niet vermeende suprematie daarvan. Met zijn grote, witte wolkenkrabbers en buitenproportionele, blanke tempels is een respectinboezemende suprematie meer dan aanwezig in deze stad. In die architectuur lijkt de macht zich te manifesteren, maar ook in de architectuur die eromheen ligt en net zo wit is en dus onderdeel is van deze blanke perfectie.

Daarin zit ook een ander aspect: stel je voor dat je in deze stad loopt en je komt tot de ontdekking dat de onderlinge verhoudingen niet kloppen. Wat bijvoorbeeld in een woonhuizenblok een verdieping is, heeft in een tempel dezelfde grootte als de trede van een monumentale trap. Wat hier kade is, lijkt elders weer een stoeptrede. Wie in deze stad wil lopen zal zowel reus als dwerg moeten zijn; dwerg omdat je anders niet in de kantoor- of woongebouwen kunt lopen, reus omdat je de grotere structuren anders alleen met een goede klimconditie binnen kunt betreden. De bezoeker van deze stad zal, voor zover mogelijk, zich toch vooral afvragen wat de functie van deze stad is, anders dan alleen indruk maken. Modernisme, neostijlen en exotische- en archeologische stijlen staan er door en naast elkaar, maar het meeste aandacht trekken op het eerste gezicht toch aan een kant een groot, vierkant Kaäba-achtig gebouw en in het andere stadsdeel een gigantische wolkenkrabber. Wie van een lengtekant de stad nadert, ziet ze al van een afstandje staan, het zware, vierkante volume en de ranke toren.

Daartussenin word je aan een van de lange zijden welkom geheten door twee torens ter weerszijde van een straat. Ze doen wat denken aan de torens van het in elkaar gezakte World Trade Center in New York, alleen, waar die torens ooit boven de stad uit reikten, vallen ze hier in het niet bij de vierkante tempel en de grote wolkenkrabber. Bovendien lijken ze opgebouwd uit blokken die op een hachelijke manier op elkaar zijn gestapeld, bijna als een waarschuwing voor de hoogmoed van het grote bouwen. Wie tussen de twee blokkentorens verder rechtdoor loopt naar het centrum van de stad, komt bij een monumentale poort, die daar blijkbaar alleen staat om indruk te maken, want hij geeft niet echt toegang aan iets aanwijsbaar bijzonders. Hier en daar zijn in de stad wat zaken omgeven door glas, misschien oude monumenten die beschermd moeten worden tegen de tand des tijds. Je zou zeggen dat de stad al een lange historie heeft van monumentale structuren, van een bescheiden kerk tot een obelisk. Het is niet duidelijk of de gebouwen steeds groter werden, of dat de andere gebouwen juist kleiner zijn om de grotere beter uit te laten komen. De vergrotende en overtreffende trappen dienen vooral om te imponeren. Hier wordt een alles overheersende macht verbeeld, die de hele historie ter meerdere eer en glorie stilistisch naar zich toe heeft getrokken. Voor zover er mensen wonen in deze stad, wonen en werken zij er in de schaduw van deze perfecte blankheid en zijn zij er onderdeel van. Zij zoeken bescherming en geborgenheid, misschien zelfs vrijheid, in de stad terwijl zij de macht die hen die bescherming en geborgenheid biedt, dienen en vereren. Misschien is het een stadstaat die zich uiteindelijk toch losgewrongen heeft van een land.

Dat is echter al te ver gedacht want er zijn in de stad geen mensen of dieren, ja, zelfs geen planten te vinden: deze stad is er alleen voor zichzelf. De aanwezigheid van al die levende have zou haar minder perfect maken. Perfectie verdraagt geen leven. Deze stad is een hersenschim, nijver uitgesneden door een kunstenaar, die haar, als een god, schiep naar het beeld van bestaande steden, zonder aan te wijzen welke. De aanbidding van een macht lijkt er de overhand te hebben als in een daadwerkelijke Civitate Dei. Het lijkt in deze maquette om macht en macht alleen te gaan. Het is een politieke stad met maar één partij en dat is de macht zelf: enerzijds de macht van de hoogmoed, die alles verkleint om zelf groter te worden, anderzijds de macht van de verbeelding die Smits ertoe verleid heeft dit beeld met zoveel toewijding te maken. Al die macht schuilt in de gebouwen en dat is de overeenkomst met de echte steden. Geen gebouw is zonder macht.

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

 

Bertus Pieters

 

* Rik Smits (1982), Capital One, 2013, polystyreen-hardschuim, hout, karton, 93 x 360 x 225 cm, is momenteel te zien als onderdeel van de tentoonstelling This Must Be The Place met werk van Rik Smits, Robbie Cornelissen en Dirk Zoete bij Galerie Maurits van de Laar (t/m 3 februari 2019).

Voor meer impressies van de hele tentoonstelling zie: https://villanextdoor2.wordpress.com/2019/01/17/robbie-cornelissen-dirk-zoete-rik-smits-this-must-be-the-place-galerie-maurits-van-de-laar-the-hague/

Zie ook: https://chmkoome.wordpress.com/2019/01/06/this-must-be-the-place/

http://jegensentevens.nl/2019/01/this-must-be-the-place-and-other-songs-about-buildings-and-food-straight-from-the-studio/

https://galleryviewer.com/nl/article/50/tentoonstelling-this-must-be-the-place

 

Eerdere afleveringen in de serie Tussen einde en begin:

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: