Spring naar inhoud

Hoe verbouw je een rijksmonument? Rethinking the Embassy; West, Den Haag

15 juli 2020

De voormalige Amerikaanse ambassade, op de hoek van het Lange en het Korte Voorhout in Den Haag, werd ontworpen door Marcel Breuer (1902-1982). Het gebouw kon er komen omdat het gebied was kaalgeslagen na een bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Het gebouw combineert het chique van het Lange Voorhout door de relatief bijzondere steensoort van de trapeziumvormige tegels waarmee het gebouw ommanteld wordt, en de hoogte van de tegenover aan het Korte Voorhout gelegen Koninklijke Schouwburg. Het gebouw is opvallend en bijzonder zoals het zich gedraagt als een geometrisch abstracte sculptuur met twee lichte, fraai geproportioneerde volumes, op een krappe donkere plint, die fungeert als een piëdestal. De sculptuur heeft aan beide Voorhoutzijdes een inkeping die dienst doet als toegang. Aan de Lange Voorhout-zijde bevindt zich een discreet balkon als uitstulping en aan de Korte Voorhout-zijde worden beide volumes door een korte, glazen corridor verbonden.

Aan de Smidswater-zijde bevindt zich de oude leveranciersingang en de binnenplaats met het van de rest van het gebouw contrasterende auditorium. Als zodanig is die zijde esthetisch in de praktijk verwaarloosd waardoor een deel van de openheid van het complex teniet wordt gedaan. Het gebouw zelf fungeert als een hoeksteen tussen de oude, prestigieuze gevels van het historisch rijke Lange Voorhout en de naoorlogse nieuwbouw aan het Korte Voorhout, alsmede, qua hoogte, als een modernistische handreiking aan de 18de-eeuwse Koninklijke Schouwburg.

Het gebouw is een rijksmonument, maar daar lijkt momenteel het meeste mee gezegd. Over de functie die het gebouw, na het vertrek van de Amerikaanse ambassade, in de stad moet krijgen, lijkt nog steeds geen besluit genomen. Het huidige stadsbestuur leek aanvankelijk zo snel mogelijk van het gebouw af te willen, zij het onder voorwaarde dat het een culturele functie zou krijgen binnen het zogenaamde Haagse Museumkwartier. Al langer speelt de gedachte om er het Eschermuseum, nu in het voormalig koninklijk paleisje even verderop aan het Lange Voorhout, te hervestigen. Tegelijkertijd exploiteert momenteel West het gebouw als tentoonstellingsruimte voor moderne en hedendaagse kunst en ideeën. Evenals het Eschermuseum heeft West ambitieuze plannen met het gebouw. Daar staat tegenover dat de uitgangspunten van beide instituten sterk verschillen. Verder speelt dat de huidige architectuur aan de binnenkant – afgezien van de nodige restauratiewerkzaamheden – op de lange duur niet in zijn geheel (misschien zelfs geheel niet)  geschikt is als tentoonstellingsruimte en een verbouwing lijkt daarom noodzakelijk. (klik hier om meer te lezen over de dilemma’s rond het gebouw in een eerder artikel).

Een project Rethinking the Embassy van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) werd West min of meer in de schoot geworpen als tentoonstelling van elf voorstellen en maquettes. Het project, onder begeleiding van Sjef van Hoof van de faculteit bouwkunde, gaat ervan uit dat het gebouw een gedeelde culturele functie krijgt: Eschermuseum, én West, én horeca, hoewel sommige ontwerpen ook van die combinatie afzien. Als zodanig krijgt de tentoonstelling bij West bijna de vorm van een statement van goede wil, een handreiking, een cadeautje met architectonische mogelijkheden tot samenwerking. De studenten werden niet lastiggevallen met vraagstukken als financiële haalbaarheid. Tenslotte, wie daar in de brainstormfase al rekening mee houdt, moet niet vreemd staan te kijken als het resultaat niet veel meer dan een bloedeloze kiosk wordt.

De elf studenten hebben heel verschillende uitgangspunten, maar door alle wordt het gebouw in meer of mindere mate ook aan de buitenkant aangetast. Roy van der Heijden doet dat in zijn ontwerp eigenlijk nog vrij discreet. Hij benadrukt het Bauhaus-modernisme van het gebouw specifiek aan de beide Voorhout-zijdes. De ingang aan het Lange Voorhout komt te vervallen en wordt vervangen door een verticale glazen pui en verder moet het balkon het ontgelden. Aan de Korte Voorhout-zijde verdwijnt de glazen corridor die beide volumes verbindt. Daarmee wordt meteen helderheid geschapen over de gescheiden functies die het complex volgens Van der Heijdens concept zouden krijgen. In de twee gebouwen zelf moeten de meeste binnenmuren verdwijnen om het licht door de ramen meer de vrijheid te geven en om op die manier ook meer openheid te creëren. Ook de Smidswater-zijde wordt opener en vooral uitnodigender. Hij gaat zelfs nog veel verder in de tijd terug van het Modernisme met in een aan te leggen vijver een afgietsel van het overbekende Unieke vormen van voortgang in de ruimte uit 1913, Umberto Boccioni’s bewegende figuur die vandaag de dag geldt als de verpersoonlijking van het Futurisme. Verder creëert Van der Heijden nog een extra paviljoen achter de Lange Voorhout-vleugel, waarschijnlijk om meer ruimte te geven aan het stadscafé, dat in zijn plan samen met West behuisd wordt in de Lange Voorhout-vleugel.

Met zijn hellende corridor die Roy Geerlings diagonaal tussen de beide uiteinden van het complex wil plaatsen krijgt diens ontwerp een meer postmodern aanzien. Met name wordt de façade aan het Korte Voorhout een stuk opener daar Geerlings een deel van de parterre van die vleugel weghaalt en op die manier doorgang verschaft naar het binnenste van het complex, waar zich horeca bevindt onder de diagonale corridor. Die corridor steekt met zijn zwarte einden door de façades aan de Smidswater-zijde en de Lange Voorhout-zijde. Aan die laatste façade verandert verder weinig, waardoor het balkon er wel erg lullig uitziet naast het zwarte uitsteeksel van de corridor. Verder gaat Geerlings blijkbaar uit van alleen de aanwezigheid van horeca en het Eschermuseum. Van een gedeelde functie met West valt althans weinig te zien, terwijl beide grootheden wel verschillende eisen zullen stellen aan de ruimtes.

Meer eigentijds en dus post-postmodern tracht het ontwerp van Nejwan Alsayigh te zijn. Veel post-postmoderne architectuur heeft de neiging zich te schikken naar het camoufleren van de consumptiemaatschappij door een sfeer van rust en vertrouwdheid, afgewisseld met speelsheid in uiterlijkheden op te roepen. Dat gebeurt hier door de modernistische ommanteling van het gebouw te vervangen door een patroon geïnspireerd op Escher. Alsayigh voegt bovendien aan de Smidswater-zijde een houten hotel toe met twaalf luxekamers en bijbehorende horeca. Aan de binnenkant van het gebouw heeft Alsayigh de zaak weer flink opengewerkt en maakt hij gebruik van hellingen om hogerop te komen. Je kunt je wel afvragen of de gefragmenteerde lichtval die de nieuwe ommanteling teweegbrengt zo wenselijk is voor een tentoonstellingsruimte. Hij gebruikt de kelder naast de huidige gebouwen als expositieruimte, waarbij door ronde roosters licht moet vallen. Ook hier is het gehele gebouw alleen voor Escher bedoeld; Alsayigh noemt het ook een Museum for Escher. Goedbetalende toeristen krijgen er hun feelgood-appartement, de bezoekende Hagenaar kan wat van de waarschijnlijk dure horeca meegenieten en naar de door Escher geïnspireerde buitenkant kijken, of tegen betaling van een mooi bedrag ook de binnenkant komen aanschouwen. Het huidige auditorium is bij Alsayigh verdwenen. Als afwijking van de rest van de architectuur zou het ook eerder een anachronisme zijn dan functioneel.

Alle andere ontwerpen bevinden zich ergens tussen deze mogelijkheden van het behoud van modernistische geschiedenis, postmodernisme en post-postmodernisme. Een ontwerp dat aan de buitenzijde zelfs nog minder lijkt te willen veranderen is dat van Annine Rozema. Zij wil graag de monumentale delen van de binnenkant van het gebouw in ere houden, maar uit het ontwerp blijkt dat dat er wel erg veel zijn. Afgezien van het architectuurhistorische belang van die ruimtes en het sympathieke van het behoud ervan, geeft Rozema niet aan wat het specifieke belang van die ruimtes is in de nieuwe functie van het gebouw. Het lijkt haar vooral te gaan om het openen van de verder niet monumentale ruimtes en de mogelijkheden en zichtlijnen die zij bieden. Maar ook daar is niet duidelijk welke consequenties dat heeft voor de nieuwe functies van het complex. Anderzijds is het nieuwe improvisatorische dat dan ontstaat in zowel de oude als nieuwe ruimtes wellicht aantrekkelijk, juist voor een presentatie-instelling als West.

Ook bij Ipek Topalkara blijft de buitenkant van het complex redelijk wel in tact. Ze laat de binnenkant echter vervormen door een soort Escher-virus. Het ontwerp is van vóór de Coronacrisis maar is bij haar op een speelse manier actueel geworden. Of dat ook specifieke alternatieve mogelijkheden biedt, wordt echter in het ontwerp niet duidelijk. Het gaat vooral om een kekke gedachtekronkel, zo lijkt het.

Ook bij Jesper van Peer blijft het belangrijkste deel van het karakter van de façades aan Lange en Korte Voorhout in takt. Wel maakt hij de hoek van de beide Voorhouten los vanaf de huidige ingang aan het Lange Voorhout tot aan de huidige glazen corridor aan het Korte Voorhout. Zo ontstaat er een nieuw hoekgebouw, waar bovenop in het ontwerp nog een extra paviljoen geprojecteerd wordt. De hoek wordt daarmee extra geaccentueerd, de strakke horizontale bovenzijde van Breuers ontwerp wordt daarmee wel doorbroken. De huidige glazen corridor wordt een doorgang naar de binnenplaats waar Van Peer een nieuw gebouw heeft gepland. Zo ontstaan er in totaal vier nieuwe gebouwen, gescheiden door een assenkruis en verbonden met loopbruggen en corridors. Het open assenkruis krijgt een overkapping. De ingang van het geheel heeft Van Peer gedacht in het nieuwe gebouw. Je moet het complex dus in voor toegang tot de gebouwen. Voor de binnenkant heeft Van Peer zich weer door Escher laten inspireren. Voor een Escher-experience zou dat wellicht aardig zijn, maar, evenmin als bij Topalkara, is niet duidelijk hoeveel meerwaarde dat geeft aan de functie van expositieruimte.

Thomas Vorraber laat de beide Voorhout-façades geheel in takt. Hij haalt alleen de glazen corridor tussen beide volumes weg, zoals in meer ontwerpen gebeurt. Aan het Lange Voorhout komt dan ruimte voor het Eschermuseum met in de parterre een museumshop die gedeeld wordt met West. Aan het Korte Voorhout komen West en de stadsdrinkplaats, en de bibliotheek wordt in takt gehouden. Vorraber voorziet West van flexibele expositieruimtes. In feite zou het complex, inclusief het onveranderde auditorium, op die manier afdoende zijn aangepast aan de nieuwe omstandigheden. Vorraber voegt op de binnenplaats, gedeeltelijk op het auditorium echter nog een hoog gebouw toe, met extra faciliteiten waaronder voor sport en extra horeca en tentoonstellingsruimtes. De toren moet zichtbaar zijn vanaf de beide Voorhouten en herinnert aan Escher. Dat lijkt een poging een Escher-experience meer voor algemeen nut bruikbaar te maken, zonder dat je de daadwerkelijke expositieruimtes in de oorspronkelijke gebouwen daarmee lastigvalt.

Danny Meijer tracht Breuers ontwerp met veel respect te benaderen. Ook bij hem blijven de façades aan de Voorhouten vrijwel volledig zoals ze zijn. Om het respect te benadrukken worden beide ingangen voorzien van brede trappen en het gehele complex krijgt een extra open dakstructuur. Aan de binnenzijde heeft Meijer een nieuwe aanbouw gepland met een glazen pui. Het is de vraag of het gebouw die extra bekroning en extra trappen nodig heeft. Het luxueuze van het gebouw zit in zijn subtiliteiten, juist die worden niet benadrukt door de toevoegingen. Verder zegt Meijer weinig over de binnenkant.

Bij Shijie Xiao worden de beide Voorhout-façades zelfs als een soort afdekkingen van een geheel herdachte binnenkant gebruikt die uitgaat van de trapeziumvorm van de dekstenen. Xiao voegt aan de binnenzijde van het complex zelfs nog een grote trapeziumvormige pui toe. Het ontwerp heeft iets aantrekkelijk radicaals. Het is geen schijnradicaliteit als die van Alsayigh, het is een manier van denken die misschien een opening biedt naar een andere visie op de functionaliteit van het complex. Daarbij dient wel de kanttekening gemaakt te worden dat Xiao zich niet echt uitspreekt over de praktische expositiemogelijkheden van het complex. Het voorbeeld dat Xiao in zijn voorstel geeft, is nogal summier en weinig inspirerend.

Met een niet onprettige mengeling van respect en gebrek daaraan worden in twee andere ontwerpen van meer postmoderne snit de façades juist radicaal opengebroken. Alicja Jachim plaatst plompverloren een zwarte doos tussen de twee huidige vleugels in aan het Korte Voorhout. De vleugel aan het Lange Voorhout blijft daarbij hetzelfde, maar de vleugel aan het Korte Voorhout wordt qua volume min of meer gehalveerd. De ‘zwarte doos’ die tussen beide geprojecteerd wordt, is hoger dan de rest van het complex en heeft een transparante piëdestal. Wederom een heel aantrekkelijke oplossing, die vooral het mogelijke ruimtegebrek voor de beoogde faciliteiten van het complex lijkt te willen oplossen. Een scheiding tussen de verschillende functies wordt door Jachim niet echt gemaakt. Misschien is dat maar goed ook. Er is in de huidige architectuur en stedenplanning immers bijna niets veranderlijker dan de functies van gebouwen.

David Vuong breekt de façade op de hoek van de Voorhouten vrij letterlijk open met een enorme, glazen hoekpui. De hoek wordt daarmee een open kijkdoos, die twee kanten op werkt: Je kunt van buiten zien wat zich binnen afspeelt en dat kan een aanmoediging zijn om ook naar binnen te gaan. Van binnenuit heb je uitzicht op het historische deel van Den Haag, het Lange Voorhout, de Koninklijke Schouwburg, het Tournooiveld en de Hofvijver. Daarmee is de idee van ‘het gebouw aan Den Haag teruggeven’ vrij letterlijk. Ook Vuong laat zich verder niet echt duidelijk uit over de verdere functionaliteit van het gebouw als expositieruimte, en ook in dit geval is dat misschien maar goed ook.

De mate van uitwerking door de studenten is verschillend – sommige ontwerpen lijken in der haast gemaakt en zijn bovendien voorzien van krakkemikkige Engelse teksten – en er zijn uiteraard geen gedetailleerde schattingen en planningen gemaakt voor daadwerkelijke bouw. Niettemin hebben alle elf ontwerpen de potentie om inspiratie te geven aan West, het Eschermuseum, het gemeentebestuur, de omwonenden, potentiële en daadwerkelijke bezoekers, enfin, aan ieder die zich betrokken voelt in en buiten Den Haag. Die inspiratie lijkt momenteel meer dan ooit nodig. De Raad voor Cultuur heeft de minister geadviseerd West na vier jaar uit de culturele Basisinfrastructuur (BIS) te gooien. Zulks terwijl West eigenlijk alleen maar verder de vleugels heeft uitgeslagen, meer ambitie heeft getoond, meer filosofische diepgang in zijn tentoonstellingen heeft verweven en meer nevenactiviteiten heeft ontwikkeld. Je kunt je afvragen wat het nut en aanzien van onderdeel te zijn van de BIS nog is, wanneer je als Raad dergelijke nogal willekeurige adviezen geeft, nog afgezien dat de Raad zichzelf er ook mee degradeert tot een onnavolgbaar orakel. Vreemd is het ook dat het Haagse stadsbestuur geen protest aantekent tegen een dergelijk zwaarwegend advies, want met West verdwijnt dus ook Den Haag uit de BIS. Over de staat van de beeldende kunst in Den Haag is in het hieraan voorafgaande artikel echter al voldoende aandacht besteed.

Terug naar de architectuur en de voormalige ambassade. Welke bestemming die ook gaat krijgen, het is duidelijk dat dat niet zonder ingrepen kan gebeuren. Momenteel zijn er twee uitgangspunten: als rijksmonument kan het aanzien van het gebouw niet zomaar aangetast worden en verder moet het gebouw een culturele functie krijgen die past in het Haagse Museumkwartier. Zonder uit te wijden over de voors, tegens en nuances van die uitgangspunten kun je stellen dat zij restricties zijn in het denken over de ontwikkeling en functionaliteit van het gebouw. Het is daarbij opvallend dat de momenteel geëxposeerde ontwerpen die het meest radicaal ingrijpen in de huidige twee hoofdfaçades misschien ook het meest inspirerend zijn. Zij ontdoen immers het gebouw het meest van zijn oorspronkelijke functie: de ambassade van een machtige economische en militaire bondgenoot. Misschien is het ook uiterlijk radicaal breken met die eerdere functie in de façades wel de beste eer die je dit gebouw en zijn historie kunt bewijzen.

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

(Alle links openen in een nieuw tabblad)

Bertus Pieters

VILLA LA REPUBBLICA IS NIET VERANTWOORDELIJK VOOR EVENTUELE ADVERTENTIES OP DEZE PAGINA!!

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: