Spring naar inhoud

Tussen einde en begin #43: Lucassen

8 september 2020

Het drieluik Drie variaties op het thema van de slechte kunstcriticus (1966-2006) van Lucassen (1939) (1) is bijna ouderwets vol qua inhoud, zoals dat ook is in de bekende drieluiken uit de kunstgeschiedenis. Er gebeurt van alles in. Het is bont qua kleuren, maar niet schreeuwerig. Het grote intens rode vlak in het linkerluik wordt als het ware gecompenseerd door een veelheid aan stemmige blauwe en groene tonen en door een groot bleekroze vlak in het middenluik, een kleur die nog even terugkeert in beide andere luiken. Op het eerste gezicht ziet het geheel er misschien rommelig of chaotisch uit, maar als je kijkt naar de verschillende kleuren, hun verhoudingen, hun volumes en hun combinaties dan ontwaar je een afwisseling van rust en beweging en van harmonie en disharmonie die alleen een schilder met een enorme intuïtie teweeg kan brengen. Er zijn blikvangers in ieder van de drie schilderijen, in het linker het al genoemde grote rode vlak dat lijkt op een soort machine, beneden in het middelste schilderij een geeloranje figuur met eendenpoten, en in het rechter een portret van een man in een zwart pak en met overhemd en stropdas maar zonder hoofd, naast een roodomrande driehoek met verschillendgekleurde elementen. Alle drie de schilderijen zijn, zoals dat ook vaker gebeurt in klassieke drieluiken, verenigd door een gezamenlijke horizontale lijn. In veel van die drieluiken is die horizon niet meer dan een suggestie. Hij biedt de mogelijkheid om doorkijkjes te geven in een achterliggend landschap en om ruimtelijkheid te verlenen aan de hele voorstelling. Ook bij Lucassen is die horizontale lijn niet overal even absoluut en heeft afwisselend het aanzien van een soort “plint’ of gewoon van een simpele scheiding tussen het bovenste en het onderste deel van de compositie.

Boven die lijn vormen zich abstracte min of meer modernistische composities. Lucassen toont zich daar een ware kleurvirtuoos. Alle drie de schilderijen zijn in zorgvuldig gedachte, gedempte kleuren. In het linker gebruikt hij een giftig soort blauwgroen, dat ondanks dat giftige, toch heel gedempt is, maar het diepe rood van de machineachtige vorm des te beter uit laat komen. Al die genuanceerde kleuren – groen, blauw, roze – zorgen ervoor dat rood, geel en oranje er des te feller uitspringen. Het meest voor de hand liggende is dan om complementaire kleuren te gebruiken (rood/groen, geel/paars, oranje/blauw). Lucassen schuwt dat niet, maar hij doet het met de nodige nuance en zelfs waar hij rood en groen direct naast elkaar plaatst, doet hij dat bijna discreet. De veelheid van wat hij heeft te laten zien is blijkbaar al voldoende om er dan ook nog een scherp kleurcontrast in te gebruiken.

De schijnbare modernistische strengheid van de composities boven de horizontale lijn, de “plint”, wordt voortdurend op het spel gezet door vreemde beeldelementen: de al genoemde man zonder hoofd (in plaats daarvan steekt er een soort rode potlood- of penpunt uit zijn kraag), een losgeslagen Hindelooper bloemmotief,  drie- en vierletterwoorden die Gilles de la Tourette-achtig opduiken, stippellijnen, pijltjes, een douchekop met drie druppels eronder (die alleen maar op druppels lijken omdat die douchekop zich erboven bevindt) enzovoort.

Onwillekeurig lijken de gedeeltes boven de horizontale lijn te werken als een soort achtergrond, maar bij Lucassen weet je dat nooit zeker. Zijn wijze van schilderen is vlak en zegt vaak zo min mogelijk over de ruimte van zijn voorstellingen. Om ruimte aan te geven gebruikt hij alleen kleur, maar hij laat ook graag in het midden of er daadwerkelijk sprake is van de verbeelding van ruimtelijkheid. De verf is overal gelijkmatig opgebracht, als om geen enkele emotie te verraden, om de voorstelling zo helder mogelijk weer te geven en de kleuren en lijnen voor zichzelf te laten spreken, zonder tussenkomst van hinderlijk expressief gekwast. Op die manier ontstaat er een raadselachtig verband tussen wat de voorgrond en wat de achtergrond zou kunnen zijn. Wat dat betreft werkt het linkerschilderij misschien nog het meest ruimtelijk. Er is een niet nader te definiëren ruimte waarin de rode machine staat. Een machine, of is het de omkasting van meerdere zaken? Er lijkt een zwengel aan te zitten, maar het kan ook een slang zijn waar iets uit kan lopen. Aan de bovenkant ligt een soort witte kuip waar “SOFT” op staat. Is het dan geen kuip maar bijvoorbeeld een stuk zeep? Daarachter is een abstracte vorm met een mes erin. Om het rood zweven nog wat transparante slangen of andere in- of uitsteeksels. Een van die uitsteeksels staat in verbinding met een organische roze vorm, waar doorheen iets lijkt te stromen. Je zou kunnen denken aan een heel bleek soort ingewand. “COLD” staat erin en op de rechte rode vorm staat “EGG”.

Ondanks het vele dat er verder nog te beleven valt in het drieluik, is dit een punt waar je niet langer heen kunt om de raadselachtigheid van de voorstelling en het verband met de titel van het werk. Titels van werken kunnen, ook bij Lucassen, bevestigend, verklarend of onderdeel van de betekenis van een werk zijn. Niet zelden is het ook een combinatie van die drie mogelijkheden. Mensen die menen dat een schilderij voor zichzelf moet spreken, ondanks een eventuele titel, doen zichzelf daarom tekort bij het kijken.

Drie variaties op het thema van de slechte kunstcriticus. Ten dele is die titel bevestigend, want er zijn inderdaad drie werken te zien. Dat het variaties zijn, is te verklaren uit de horizontale lijn die in alle drie de werken op min of meer dezelfde manier de compositie in tweeën verdeelt, en natuurlijk uit de gelijke grootte van de schilderijen. Ze hangen verder als een drietal vlak naast elkaar. Je kunt denken aan een klassiek drieluik, maar dat heeft meestal een groter middenluik waar zich ook het belangrijkste afspeelt. In het geval van Drie variaties… kun je niet stellen dat het middenluik het belangrijkste, het meest centrale, van het geheel is. Er is een onderling verband en doordat de schilderijen zo vlak naast elkaar hangen hebben ze invloed op elkaar en suggereren ze een nog groter onderling verband.

“Het thema van de slechte kunstcriticus”: dat klinkt behoorlijk satirisch. Een criticus kan niet anders dan interpreteren. Dat het om interpretatie gaat, doet de eendachtige figuur onder in het middelste schilderij al vermoeden. Het is een variant op de beruchte haas-eendfiguur uit de gestaltpsychologie, de figuur die symbool staat voor het dwingende van een in een plat vlak weergegeven vorm. De een kan er niets anders dan het ene in zien, terwijl de ander er niets anders dan het andere in ziet, en een derde ziet afwisselend het ene en het andere in de vorm. Dus: is het gele wezen wel een variant op die haas-eendfiguur? Wie zal het zeggen? Niettemin, de vorm lijkt eendenpoten te hebben, en hij zegt zelfs “KWAK”. Echter, naast de rechtse poot staat ook nog “TOK”. Zou het dan tóch een kip zijn? Is de kop losgeraakt van de poten en spreekt het wezen nu als een kip zonder kop? Het kan allemaal, en er kan nog meer. Tegelijkertijd laat Lucassen al zien wat een beeld vermag. Het toont, kan dwingend zijn, maar het kan je ook weer laten twijfelen, het manipuleert, het kan je een wijze van denken aangeven (Lucassen doet het hier en daar vrij letterlijk, met pijltjes, stippellijnen en woorden), maar uiteindelijk blijft het een plat vlak dat alleen zijn eigen realiteit kan tonen. Lucassen snijdt daarmee een probleem aan dat René Magritte ook al eens fraai had laten zien door een pijp te schilderen en erbij te schrijven dat het geen pijp was.

Je zit in de beeldende kunst gewoon met het fascinerende probleem dat vormen in meer of mindere mate suggereren iets voor te stellen, en door hun presentatie of combinatie de schijn wekken iets te willen betekenen dat voor interpretatie vatbaar is. Op die manier is de kunstenaar een manipulator. De kunstcriticus wordt geacht er verstand van te hebben, dus zijn/haar interpretatie wordt geacht gezaghebbend te zijn, en zijn/haar kennis zou dan garant moeten staan voor een kwaliteitsoordeel. Je kunt als criticus echter je kennis nadrukkelijk trachten te gebruiken, of die geheel of gedeeltelijk loos laten liggen, óf omdat je niet voldoende kennis in huis hebt, óf omdat je die kennis eenvoudigweg niet wil gebruiken omreden dat je je niet wil openstellen voor het kunstwerk. De criticus heeft bepaalde criteria waarmee hij/zij een kunstwerk te lijf gaat. Dat kunnen criteria van artistieke, van maatschappelijke, of van persoonlijke aard zijn. Je kunt je als criticus nog zo open en ruimhartig openstellen voor ieder kunstwerk, het zal je nooit lukken je kennis en kijkervaring ten volle te benutten, en bovendien, het hebben van kennis en ervaring alleen is niet genoeg. Lucassen laat het je pijnlijk weten in dit drieluik. In deze drie schilderijen van Lucassen zweven allerlei zaken rond die je in feite uitdagen tot een interpretatie en daarmee een beroep doen op je kennis en kijkervaring. Dat geldt overigens niet alleen voor kunstcritici maar voor iedere kijker. In het rechterschilderij staat als een soort dreigende vingerwijzing de gekostumeerde en bestropdaste man zonder hoofd. “SHOW.” staat er vlak naast hem, en naast de Hindelooper bloemmotiefjes in het kader boven hem, staat “BAD.”. Onder gebeuren allerlei onnavolgbare zaken. “ART.” staat daarin, bijna terloops. In het middelste schilderij gaat het van twee maal “KWAK” naar “KUL” bovenaan, en in het linkerschilderij lijkt alles door een rood gevaarte gehaald te worden. De uitkomst linksonder is “COLD”.

Je kunt het allemaal opvatten als een soort grappige rebus, waarbij je, alle drie de werken bij elkaar optellend, tot een conclusie komt over wat een slechte kunstcriticus is, maar Lucassen zaait ook dan overal weer tweeslachtigheid en verwarring. Hij weet als geen ander dat de rebusformule in een schilderij dodelijk kan zijn, want als je het raadseltje hebt opgelost, hoef je niet meer naar het schilderij te kijken. Het is alsof het voor hem juist daarom des te aantrekkelijker is om die rebusformule te gebruiken. Al is het maar om haar te saboteren. De kunstcriticus dwaalt in de drie schilderijen rond als een blinde geest die zijn domheid tentoonspreidt in een wereld waarvan hij niet door heeft hoe bijzonder die is. Maar zoals de “domme kunstcriticus” door Lucassen verbeeld wordt, weet die criticus ook niet hoe bijzonder hij zelf is. Het is een drieluik dat iedere kijker, criticus of niet, op de proef stelt. Het dwingt de kijker – en zeker de criticus – ook tot een zekere nederigheid in wat, zo genuanceerd en ingehouden geschilderd maar zo dwars van inhoud, een schilderij vermag.

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

(Alle links openen in een nieuw tabblad)

Bertus Pieters

(1) Reinier Lucassen (1939), Drie variaties op het thema van de slechte kunstcriticus (1966-2006), acryl en olieverf op doek, 3 maal 160×180 cm, Frans Halsmuseum, Haarlem.  Dit werk en zeer veel andere werken zijn momenteel te zien in de grote overzichtstentoonstelling De gelukkige schilder van Lucassens werk in het Kunstmuseum Den Haag (nog t/m 11 oktober 2020).

Klik hier voor meer afleveringen in de serie Tussen einde en begin.

Zie voor meer plaatjes: https://villanextdoor2.wordpress.com/2020/06/05/art-in-corona-times-7b-mondrian-route-kunstmuseum-the-hague-second-leg-mondrian-de-stijl-lucassen/

VILLA LA REPUBBLICA IS NIET VERANTWOORDELIJK MOGELIJKE RECLAME OP DEZE PAGINA!!

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: