Spring naar inhoud

Een geest van noodzakelijke subversie. Robe bleu, fond rouge – samengesteld door Nies Vooijs; Quartair & West End, Den Haag

9 juni 2021

Je zou kunnen spreken van een schildersfeestje in Quartair en projectruimte West End in Den Haag. De feestvierders zijn verschillend van karakter, maar, afgezien dat ze allemaal wat met verf doen, zijn ze uitgenodigd door schilder Nies Vooijs (1952), en dan lijkt er toch een soort gevoelsmatige band te zijn, hoe ze verder ook over elkaars werk denken. Hoewel de verzameling kunstenaars een Haagse aangelegenheid lijkt, reikt het werk verder dan Den Haag. Je zou zelfs kunnen stellen dat het er bovenuit stijgt. Dertien van de veertien kunstenaars hebben weliswaar gestudeerd aan de Haagse Koninklijke Academie en/of de Haagse Vrije Academie, of hebben daar op een andere manier iets mee te maken gehad, maar dat zegt nog niets over het karakter van het getoonde werk. Vijf van de veertien hebben met succes meegedongen naar de Koninklijke Prijs, waaronder Vooijs zelf (zij het dat die toen nog Koninklijke Subsidie heette), dus voor een aantal was er al vroeg sprake van enige nationale erkenning. Het werk van de veertien kunstenaars is nu verspreid te zien over Quartair en West End. In de laatste toonruimte hangt het werk van Vooijs zelf en dat van de twee kunstenaars die haar te hulp kwamen bij het maken van de tentoonstelling: Pietertje van Splunter (1968) van Quartair en Annemieke Louwerens (1957), drijvende kracht achter West End. In Quartair hangt het werk van de andere elf kunstenaars.

Het werk van Vooijs zelf lijkt nog steeds een van de bestbewaarde geheimen van Den Haag te zijn. Met gemak zou haar werk het hart kunnen stelen van een verzamelaar, al moest die van de Antipoden komen om iets van haar in de wacht te slepen. Met gemak zou haar werk een zaal in een museum kunnen vullen (en ja, een museaal overzicht van haar werk zou onderhand wel eens mogen), of dat nu in Den Haag is of elders in den lande. Probleem daarbij – je kunt het natuurlijk ook een zegen noemen – is dat niet altijd duidelijk is of een werk van haar af is. Haar werken leven mee met de leeftijd die ze hebben. Met de grootste vanzelfsprekendheid kan ze een ouder werk weer oppakken en er iets meer of minder ingrijpends in veranderen. Toch – en dat is die vanzelfsprekendheid – zien haar werken er meestal uit alsof ze er ook daadwerkelijk zo uit moeten zien, zoals een stoel een stoel is, of het licht in een nachtelijke regenplas een licht in een nachtelijke regenplas is. De materie van de verf en de tinten zijn meestal doorleefd, en ook de dragers zelf zijn onderdeel van het karakter. Een titelloos werk van haar in West End mist zelfs iets, zoals je ook in het leven zelf wat kunt kwijtraken. Het mist een van de zijlatten van het raamwerk. Ondanks dat leeft het echter door, vormt het zijn karakter ernaar en raakt het erdoor verrijkt, in plaats van verarmd. Het klinkt nu of Vooijs een soort kluizenaar is die stilletjes haar eigen gang gaat, onaangetast door de boze buitenwereld, maar dat is ze allerminst. Ze is bekend of bevriend met zeer veel andere kunstenaars en ze is ook bekend bij hen. Je zou haar kunnen omschrijven als een schilders’ schilder: misschien onbekend bij het grote publiek, maar des te bekender bij schilderende collega’s.

De tentoonstelling is dan ook een typische schilderstentoonstelling geworden. De keus van Vooijs loopt dwars door de generaties heen. De oudste is Kees Andrea (1914-2006), die abstractie verfoeide, en de jongste is Luuk Kuipers (1992), voor wie dat allemaal geen rol speelt. Het is misschien wat vreemd het werk van Andrea hier te zien. Als werk van wat ooit de Nieuwe Haagse School genoemd werd, heeft het een beetje een sfeer van Haagse sleetsheid. Een mengsel van naoorlogs vrijgevochten Modernisme en vooroorlogse kunstenaarsromantiek, in een stad waar steeds een beurse zelfkant schuilgaat achter pretentieuze façades, waartussen de kunst als onkruid verleidelijk gedijt. Sommige van zijn werken zijn fraai compact. Zoals de Slapende jongen, waarin de slapende figuur geheel opgenomen wordt in zijn omgeving, of in een titelloos paneeltje op ansicht-fomaat, waarin op een heel klein oppervlak een heel interieur met figuren wordt weergegeven. Andrea gaf les aan de Haagse Vrije Academie, een instituut waar meer aandacht werd besteed aan de aard van het onafhankelijk kunstenaarschap dan – vreemd genoeg – aan de Haagse Koninklijke Academie (Vooijs zelf studeerde aan beide). Wat binnen het verband van deze tentoonstelling opvalt is een zekere anekdotiek in Andrea’s werk.

Hij is een verhalenverteller en daar ligt een zekere overeenkomst met het werk van de Rotterdamse Luuk Kuipers, van wie een werk hangt tussen een aantal werken van Andrea. De anekdotiek ligt er bepaald niet dik bovenop bij Kuipers, maar, wellicht gestimuleerd door het werk van Andrea, kun je er steeds de aanzet tot een verhaal in zien. Het werk Beter te begrijpen/alles hangt prominent tussen de veel kleinere Andrea’s en lijkt op het eerste gezicht geheel abstract, tot je in de twee ellipsen ogen ziet schemeren, die de aanzet tot een verhaal lijken te geven, al is het het verhaal van iedere individuele kijker. Er hangt ook een werk – Tarmac the Drawing – van Kuipers pal naast drie kleinere werken van Marion van Rooij (1951-2019). Dat geeft weer een ander perspectief op Kuipers’ werk.

Over Van Rooij is weinig bekend en het is in deze tentoonstelling voor het eerst dat er iets van haar in het openbaar te zien is. Haar werk zou te zien zijn geweest in een kleine groepstentoonstelling in Stichting Ruimtevaart in 2019, zij het niet dat ze tijdens de voorbereiding van de show kwam te overlijden. Haar werk geeft het beeld van een zoekende kunstenaar, die intuïtie als haar leidraad nam en haar weg zocht in abstractie en de materie van de verf. Haar werk legt die nadruk ook weer in Kuipers’ werk. Het laat de abstracte waarden uitkomen die Kuipers blijkbaar ook aantrekken, evenals een intuïtieve manier van werken. Dat Van Rooijs werk hier te zien is, is overigens niet alleen maar een simpele keus van Vooijs. Zij en Van Rooij zaten samen op de Vrije Academie en zij hielden contact. Vooijs was een van de weinigen die het werk van Van Rooij kende en ze trachtte haar ook te betrekken bij de tentoonstelling in 2019. Er zijn nu zeven werken van haar te zien, uit verschillende periodes, verspreid over de tentoonstelling.

Daarbij wordt ook een combinatie gemaakt met het werk van Mirthe Klück (1991). Net als bij Kuipers valt vooral het materiële en het schijnbaar intuïtieve op bij Klück naast het werk van Van Rooijen, maar ook de combinatie van het geordende en het chaotische van de wereld van het materiële en het alledaagse. Er zit bij Klück bovendien een zweem van Daan van Golden (1936-2017) in, bewust of onbewust. Van Golden schilderde onder meer bestaande verpakkingen en drukpatronen en heeft een belangrijke invloed op het werk van een jongere generatie kunstenaars. Dezelfde verstillende toewijding aan alledaagse patronen is te zien bij Klück, maar zij gaat meer uit van de materialen zelf, waarbij ook ruimtelijkheid een belangrijke rol speelt. Het leidt tot werk dat zowel verraderlijk gewoon als fascinerend is.

Hoewel van een totaal andere orde, zou je dat laatste toch ook kunnen zeggen over Philip Akkermans (1957) alom bekende en eindeloze reeks zelfportretten, waarvan er acht hangen op de tentoonstelling. Je zou denken dat niets zo intiem is als een zelfportret, maar bij Akkerman zijn de portretten in feite losgezongen van zijn eigen gezicht. Akkerman is ondertussen een technische jongleur geworden op het gebied van schilderkunst. In feite geldt zijn toewijding niet zijn eigen gezicht, maar het materiaal waarmee hij het als uitgangspunt gebruikt. Zijn beeltenissen worden gevormd en verwrongen door het materiaal, maar vooral duidelijk is de vitaliteit van Akkermans werk. Ieder werk lijkt begonnen met de nieuwsgierigheid naar hoe het er nu weer zal uit gaan zien, wat blijkbaar gepaard gaat met een groot plezier in het gebruik van het materiaal.

Ook bij Machteld Rullens (1988) is er die vitaliteit te zien. Drie van haar kartonnen en beschilderde objecten zijn te zien op de tentoonstelling; één hangt aan de muur, de andere twee liggen op de vloer. Het is het soort werk waarop zij zich heeft toegelegd. Eenmaal aan de gang met karton, werd dat ooit haar materiaal en uitgangspunt, en ze vormt en schildert ze tot een steeds eigen karakter. In feite zijn Rullens’ werken net zo goed en zo min zelfportretten als Akkermans werken.

Rullens en Akkerman zijn niet de enigen die zich in hun werkwijze beperken. Ook Wieteke Heldens (1982) doet dat. Door zich beperkingen in haar werk op te leggen tracht ze compositie en werkwijze met elkaar in overeenstemming te brengen, zonder de gebruikelijke valkuilen van de modernistische abstractie. Tegelijk heeft haar werk het fysieke van het schilderen. Een kwast wordt uitgedraaid tot de verf die eraan zit niet meer afgeeft. Het resultaat is, in het geval van deze tentoonstelling, twee werken die simpel decoratief lijken, maar feitelijk over het fysieke van het schilderen gaan.

Judith van Bilderbeek (1962) en Jan Wattjes (1981) laten zich niet beperken in hun schilderen. Van Bilderbeek laat alledaagse taferelen zien; in het algemeen zonder mensen – tenzij het specifiek om portretten gaat –,  waarin de verf de ruimtes rond het onderwerp opvult, als het ware van energie voorziet. In Kamer toont ze bijvoorbeeld een, op een piano na, compleet lege, smalle hoek van een ruimte. Het is echter vooral de ritmische planken vloer die de toon zet, zonder dat er ook maar pianoklank gehoord wordt. Ze brengt de verf ruimhartig en energiek aan.

Wattjes lijkt van alle markten thuis, zolang het maar een schilderij oplevert. Bekend zijn zijn schilderijen van puien van lege kunstgaleries, waarin het kille licht en de leegte geschilderd zijn met dikke, glanzende verf. Die schilderijen, in de meest uiteenlopende formaten, balanceren op de grens van formele abstractie en figuratieve betekenis. Er is een klein voorbeeld – Almost Done – van te zien op de tentoonstelling. Dezelfde manier van schilderen en formele dubbelzinnigheid is te zien in de andere getoonde schilderijen met verschillende onderwerpen. Het zou sowieso eens goed zijn een overzicht te zien van de uiteenlopende zaken waarmee Wattjes de laatste jaren is bezig geweest. Zowel Van Bilderbeek als Wattjes hebben een redelijk ‘vette’ manier van schilderen en ze verbijzonderen datgene wat ze schilderen. Dat wat ze laten zien kan op het eerste gezicht nog zo triviaal lijken, het wordt je bij nader kijken vrij letterlijk ingewreven.

De werken van Morgan Betz (1974) en Rob Knijn (1966) zijn, wat dat betreft, heel anders van strategie. Wat Knijn laat zien in zijn werken lijkt op het eerste gezicht nog onaanzienlijker dan de zaken die Van Bilderbeek en Wattjes tonen. Knijns werken lijken de bescheidenheid zelve. Maar als je ze dan in het oog hebt, verdwijnen ze er niet gemakkelijk meer uit en laten ze alle bescheidenheid varen. Ze zijn op meerdere manieren raadselachtig: in wat ze voorstellen, in hoe ze het voorstellen en in de manier van denken. In feite de basisraadsels van de beeldende kunst. Toch zijn ze, eenmaal in het oog, niet te ontkennen in hun karakter en de betekenis die ze zouden kunnen hebben. Het is of Knijn bij ieder schilderij zich steeds bedenkt of het wel de moeite waard is het te maken, of het wel voldoende mysterie bevat, zonder leeg of hol te worden.

De werken van Betz (de enige in dit gezelschap die niets met Den Haag en enig opleidingsinstituut hier ter stede te maken heeft; behalve dat hij enige tijd geleden een tentoonstelling had in het Gemeentemuseum) kunnen met hun volle kleuren moeilijk anders dan opvallen. Twee grote werken van hem hangen ieder aan een kant van de tentoonstelling prominent te zijn. Ze zijn belangrijke drijvende krachten in de hele tentoonstelling geworden. Zijn manier van werken – hij drukt de verf af op het linnen – zorgt ervoor dat de aard van de kleuren niet bepaald wordt door de persoonlijke verfstreek. Hoewel dit duidelijk een totaal andere manier van presenteren is dan die van Knijn, draait het bij Betz ook steeds om de basisvragen van de beeldende kunst: wat stelt het voor, hoe wordt het voorgesteld en hoe is de manier van denken? De werken zijn zo helder, dat je de antwoorden niet zou kunnen mislopen. Niets is echter minder waar. Ook hier lijkt weer gedacht te zijn hoe ieder werk zo bijzonder mogelijk kan zijn, zonder dat het pompeus of hol wordt, en hoe het mysterie van het werk, het uit tilt boven het gewoonlijke beeld-  en kleuroffensief dat je dagelijks tegemoet schreeuwt. In combinatie vallen bij Knijn en Betz op die manier fluisteren en roepen samen.

In West End hangen, zoals gezegd, werken van Vooijs, Louwerens en Van Splunter. Door de aard van de ruimtes kan er niet zoveel afstand genomen worden tot de werken als in Quartair. Bovendien speelt door de ramen de buitenwereld ook mee, en heeft een van beide ruimtes een indrukwekkende schouw. Daardoor mengt het werk zich onderling gemakkelijker dan in Quartair. Het is ook een intiemere samenspraak tussen de drie kunstenaars daar zij elkaars werken uitzochten, steeds de twee anderen het werk van de ene, waarbij de keuze van de twee voorrang kreeg boven de voorkeur van de kunstenaar zelf. Daardoor is het een wezenlijk andere tentoonstelling geworden dan die in Quartair. Aanvankelijk was de bedoeling in West End alle ruimte te geven aan Nies Vooijs als aanstichtster van het geheel, maar zelf vond zij een combinatie met de andere twee een toepasselijker idee. Het is een intieme maar feestelijke tentoonstelling geworden, met name ook door de kleurige werken van Van Splunter en Louwerens, die des te meer de gloeiende kleuren die bij Vooijs soms door de vaak meer ingehouden tinten schemeren, beter laten uitkomen.

Als geheel is het een memorabele schilderstentoonstelling geworden, waarin veel onderlinge verbanden gelegd kunnen worden, niet in het minst door de presentatie. Mooi is de combinatie van bekende en minder bekende kunstenaars, waarbij weer duidelijk wordt dat onbekendheid lang niet altijd een kwalitatief oordeel inhoudt. Daarnaast bevatten de meeste getoonde kunstwerken wel aspecten die aansluiten bij de werken van Vooijs zelf. Dat is natuurlijk niet vreemd. Stuk voor stuk zijn het werken van kunstenaars die hun vrijheid op waarde weten te schatten, zoals dat voor Vooijs zelf ook geldt, hoezeer het dagelijks leven je ook tot beperkingen dwingt. Het is een volstrekte ongeschiktheid om slechts te drijven op wat de samenleving dicteert, gekoppeld aan een grote toewijding aan de verbeelding, die een geest van noodzakelijke subversie laat schijnen door de hele tentoonstelling.

Nu je toch tot hier gekomen bent: blijf op de hoogte en neem een abonnement (zie rechtsboven op deze pagina)

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

(Alle links openen in een nieuw tabblad)

Bertus Pieters

Zie voor extra plaatjes: https://villanextdoor2.wordpress.com/2021/06/11/art-in-corona-times-75-robe-bleu-fond-rouge-quartair-west-end-project-space-the-hague/

Zie ook: https://chmkoome.wordpress.com/2021/05/21/robe-bleu-fond-rouge/

https://chmkoome.wordpress.com/2021/05/28/hoogtij-1/

https://jegenstevens.nl/2021/robe-bleu-fond-rouge-en-de-schilderkunst/

VILLA LA REPUBBLICA IS NIET VERANTWOORDELIJK VOOR EVENTUELE ADVERTENTIES OP DEZE PAGINA!!

One Comment

Trackbacks & Pingbacks

  1. robe bleu, fond rouge – Quartair

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: