Spring naar inhoud

Tussen einde en begin #52. Astrid Nobel

19 november 2022

Een kunstenaar die als volwassene voor het eerst de zee zag, concludeerde dat als God niet in de hemel zou wonen, hij toch op z’n minst in de zee moest verblijven. Daarmee benoemde hij in feite de twee meest sublieme fysieke, maar toch ongrijpbare aspecten van het bestaan: de hemel en de zee (afgezien van de woestijn en de ijsvlakte in meer extreme klimaten). Beide zijn groots, vormeloos, veranderlijk en onberekenbaar. In de West-Europese kunst heeft het lang geduurd voordat de zee een eigen karakter kreeg. Vooral zijn vormeloosheid maakte het moeilijk hem te karakteriseren, en een vorm met een karakter is in veel beeldende kunst een voorwaarde gebleken. Vanaf de zeventiende eeuw werd het grootse, het sublieme van de zee geïllustreerd door schepen die overgeleverd waren aan zijn onberekenbaarheid, en door wolken, die als machtige onderdelen van de sublieme hemel partners in crime werden. In de negentiende-eeuwse romantiek werd de zee, wederom vaak in samenspraak met schepen en wolken, een soort theater van het sublieme, het onbenoembaar indrukwekkende. De zee werd het domein van Coleridges Ancient Mariner, van Wagners Vliegende Hollander, van Friedrichs krakende ijsschotsen, van Géricaults Vlot van de Medusa en van Homers Gulf Stream. In het twintigste-eeuwse modernisme werd niet minder naar het sublieme gezocht, maar daar werd het onbenoembaar indrukwekkende een naar binnen gekeerde emotie, waarbij vooral de essentie van het indrukwekkende van de zee gezocht werd. Radicaal werden storende elementen als schepen en wolken uit het beeld geweerd en er bleef niets anders over dan structuur, wat tinten en vooral ritme, zoals te zien bij Mondriaan of bij de latere werken van Edgar Fernhout. Het kijken naar de zee vergt een langdurige, geobsedeerde blik. Een blik die het liefst verloren gaat in structuur, tinten en ritme, maar die zich daarvan ook weer los moet maken om te kunnen ervaren. Op die manier kun je “in” de zee zijn, zonder erin te zwemmen of te duiken. De zee is vooral een oneindig wateroppervlak geworden, dat beïnvloed wordt door getijdenwerking, wind, weer en diepte of ondiepte. Aan al die zaken ontleent hij ook zijn obsederende ritme.

Dat obsederende ritme is onder meer terug te zien in een recent schilderij van Astrid Nobel (1983), getiteld Water. (1) Horizontale banen van gelijkmatige watergolfjes trekken over het doek, naar de bovenkant van het doek toe steeds kleiner wordend en tenslotte oplossend in het niets. Iedere golf is individueel geschilderd en zelfs ieder individueel vlekje nabij de horizon heeft nog iets eigens. Onder in het schilderij vormen de gelederen aan golfjes een ritme, dat boven, naar de horizon, oplost in een schittering, en tenslotte is er niets dan de structuur van het doek over. De banen met golven variëren van grijzige tot bruinige tinten, licht tot enigszins gebrand. Het doet denken aan een groot wateroppervlak waaronder zich zandbanken en vaargeulen bevinden. De verschillen in tint brengen een soort horizontale onderverdeling aan in het waterpanorama. Er staat een matige wind over het water; er zitten net geen schuimkopjes op de golven, er gaat eerder een rilling door het wateroppervlak. Natuurlijk is de gelijkmatigheid van de golfjes een kunstmatige ingreep, maar die vergroot de herkenbaarheid van het beeld. Het kunstmatige heeft op die manier bovendien een soort iconiserende werking: het roept directe herkenning op, niet alleen van het water, of van de zee, maar ook van de grootsheid ervan. Weidsheid, ritme en tinten zijn alle vertegenwoordigd op een manier die zowel herkenbaar als invoelbaar is. Anderzijds leidt het kunstmatige element ook af van de realiteit van een golvend wateroppervlak, zonder dat het overigens een illustratie wordt. Vreemd genoeg staan de abstracties van de zee van Mondriaan en Fernhout daarmee dichter bij de optische realiteit. Bij Nobel gaat de abstractie voorbij de realiteit. Het gaat eerder om een herinnering, een gedachte aan een groot wateroppervlak. Een weergave zoals die van dieren in de grotten van Lascaux of Altamira. Een weergave na een intense, doorleefde observatie van het onderwerp, die wordt opgeslagen in de herinnering, zowel wat betreft de nauwkeurige fysieke kenmerken, als de spirituele waarde. Die combinatie leidt tot een schilderij dat evenzeer het sublieme, het onzegbare benadert als de modernistische abstracties van Mondriaan en Fernhout, de wilde taferelen van Friedrich, Géricault en Homer of de monumentale tonelen uit de zeventiende eeuw.

Er is nog een ander aspect in het schilderij van Nobel dat een betekenisvolle rol speelt en haar werk in een compleet ander tijdvak plaatst, en dat is het materiaal waarmee het gemaakt is. De hierboven genoemde historische voorbeelden, hoe verschillend ze misschien ook zijn, hebben één ding gemeen: het materiaal waarmee ze gemaakt zijn dient om het beeld praktisch en letterlijk uit de verf te laten komen. Het materiaal is daar de boodschapper. Bij Nobel is het materiaal niet alleen de boodschapper maar ook onderdeel van de boodschap. De pigmenten – vermengd met caseïne – waarmee de golven geschilderd zijn, zijn door Nobel gewonnen uit fossiele botten, en het medium is zeewater. Het zout van het zeewater is gevoelig voor de luchtvochtigheid en laat de tinten van het schilderij daardoor waarschijnlijk enigszins fluctueren. De Noordzeebodem ligt bezaaid met organisch materiaal van gestorven organismen, waaronder ook beenderen van zoogdieren. Dat gaat niet alleen om zeezoogdieren als zeehonden of bruinvissen, of om via rivieren afgedreven beenderen van landdieren, maar ook om botten van rendieren, wilde runderen, reuzenherten, neushoorns, mammoeten en mensen, die ooit de Noordzeebodem bevolkten toen die nog geen zee was omdat het zeewaterpeil toen een stuk lager lag. Sindsdien is het klimaat een stuk warmer geworden. Daarmee versterken Nobels pigmenten het iconische van het werk.

Zo verbindt Nobels schilderij het sublieme aspect van de vroegmoderne en moderne schilderkunst, met het iconiserende aspect van de middeleeuwse kunst, het magische van de prehistorische grottenschilderkunst en de overspoelde realiteit van millennia.

Nu je toch tot hier gekomen bent: blijf op de hoogte en neem een abonnement (zie rechtsboven op deze pagina)

(Klik op de plaatjes voor een vergroting.)

(Alle links openen in een nieuw tabblad)

Bertus Pieters

(1) Astrid Nobel (1983), Water (2022), 150 x 300 cm, caseïne met pigment van fossiele beenderen, zeewater en gesso op linnen. Dit schilderij is momenteel te zien in Quartair, Den Haag als onderdeel van de zeer aan te bevelen tentoonstelling Neighbour North Sea (tot en met 27 november). Er zijn werken te zien van Astrid Nobel, Tanja Engelberts, Sheng-Wen Lo en Laura Schippers. Alle werken hebben – zoals verwacht – te maken met de zee, waartussen de werken van Astrid Nobel min of meer het lyrische aspect vertegenwoordigen. Nobel, geboren op Ameland, heeft een specifieke band met de zee, hetgeen niet alleen in Water, maar in veel van haar werken tot uitdrukking komt.

Klik hier voor meer in de serie Tussen einde en begin.

Zie voor meer plaatjes over de show in Quartair: https://villanextdoor3.wordpress.com/2022/11/21/neighbour-north-sea-quartair-the-hague/

Zie ook: https://chmkoome.wordpress.com/2022/11/07/neighbour-north-sea/

VILLA LA REPUBBLICA IS NIET VERANTWOORDELIJK VOOR MOGELIJKE RECLAME OP DEZE PAGINA!!

Advertentie
Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: