Spring naar inhoud

De metafysica van het kijken. Paul Neagu, Anthropocosmos; PARTS Project, Den Haag

14 februari 2019

 “Het oog is vermoeid, verdorven, oppervlakkig, zijn cultuur is gedegenereerd, gedegradeerd en verouderd, verleid door fotografie, film, televisie…”

Paul Neagu, Palpable Art Manifesto!, 1969

In de jaren ’70 leek er in de West-Europese abstracte kunst een scheiding te zijn tussen die kunstenaars die zich bezighielden met materialen enerzijds en zij die zich bezighielden met de idee anderzijds. Je kon er zelfs een scheiding in conservatief en progressief in zien als je dat per se wenste. Terugblikkend lijkt dat niet meer dan een zachte rimpeling in de kunstgeschiedenis in een kunst die de weg terug trachtte te vinden naar de kijker óf door helder en concreet te zijn óf door het spirituele aan te spreken. Dat het ene niet zonder het andere kon of dat een dergelijke tegenstelling de hoofdzaak gewoon niet was, was bij menig kunstenaar ook toen al bekend.

Niettemin kun je in het geval van de Anglo-Roemeense Paul Neagu (1938-2004) toch vooral spreken van een ideeënkunstenaar. Dat is al te zien aan het oudste werk van hem dat momenteel getoond wordt in een retrospectief in PARTS Project. Het gaat om Oameni pe muntele Gaina (Mensen op de berg Gaina) uit 1968, waarin de olieverf puur functioneel en zonder te veel raffinement is gebruikt om de geometrische voorstelling te verhelderen. De manier van aanbrengen doet zelfs wat denken aan volkskunst. Er is een minimum aan expressie of schildertechnisch vernuft in de verfbehandeling. De consequentheid van de kleurstelling en de geometrische indeling van het werk doen echter meer vermoeden dan alleen een volkskunstige decoratie; hoewel er, getuige de titel van het werk, toch een volkskunstig aspect in het werk lijkt te zitten. De berg Gaina is een bestaande berg in Roemenië, die is omgeven met geschiedenis en tradities. Door de letters van de vier windstreken in het werk lijkt het wat op een landkaart, waarin mensen in rijen naar het middelpunt toe zijn opgesteld. In het centrum staat of ligt een mensenfiguurtje, de benen gespreid over een puntige driehoek, misschien een berg, terwijl de armen en het lichaam gespreid zijn in de open, witte ruimte eromheen, als het einde of begin van een bordspel. Het werk lijkt te maken te hebben met plaatselijke folklore rond en op de berg Gaina, maar met zijn geometrische cellen, de regelmaat van de min of meer gelijke figuurtjes en de schematische kleurverdeling heeft het ook veel weg van een matrijs voor iets groters of algemeners dan iets plaatselijks. De geometrie en regelmaat van folkloristische patronen lijken rechtstreeks over te gaan in de geometrie van het modernisme.

Hoewel dit het oudste tastbare werk in de tentoonstelling is, was Neagu in Roemenië toentertijd al langer werkzaam als kunstenaar. De folklore rond de berg Gaina had hem al beziggehouden vanaf zijn schilderseindexamenwerk halverwege de jaren ’60 en verder hield hij zich ook bezig met performances. Overigens was hij ook een geschoold technisch tekenaar en cartograaf, en had hij zich beziggehouden met filosofie, filologie en techniek. Voor kunstenaars wier ideaal niet de verheerlijking was van het arbeidsproces en de dictatuur van het proletariaat in de vorm van het dictatoriale regiem van Ceaucescu en zijn Sovjet-Russische bondgenoten, was Roemenië echter een schraal of zelfs vijandig land. Dat wil niet zeggen dat de kunstenaars van die tijd primitief of achtergebleven waren in vergelijking met kunstenaars in West Europa. De politieke vijandigheid en onderdrukking en de al langere geschiedenis van dictatuur en bezetting dwong hen tot andere en niet zelden bijzondere keuzes, die door de West Europese kunstgeschiedenis nog al te gemakkelijk genegeerd worden.

Neagu koos er uiteindelijk voor Roemenië te verlaten en zich te vestigen in het Verenigd Koninkrijk in 1970, nadat hij in 1969 had meegedaan aan een tentoonstelling in Schotland waar hij zijn Palpable Art Manifesto! schreef. Hoewel geschreven in een tijd dat iedere kunststroming, hoe obscuur ook, wel een manifest produceerde, valt op hoe actueel het eerste punt in Neagu’s manifest (boven deze review geciteerd) klinkt. Als er al een tijd is waarin het oog “vermoeid, verdorven, oppervlakkig” is geworden door de verleidingen van “fotografie, film, televisie”, dan lijkt het de onze wel, des te meer daar het niet alleen bij fotografie, film en televisie is gebleven maar omdat we nu ook optisch worden lamgeslagen door digitale media en reclame. Wie daarbij bedenkt dat Neagu kwam uit een communistisch land met een toentertijd schraal televisieaanbod en weinig commerciële propaganda, kan concluderen dat ook een Oost Europese kunstenaar de hem of haar omringende beeldenwereld als opdringerig kon ervaren. Het zijn dan ook niet zozeer de media zelf (fotografie, film, televisie, internet, reclame) die vermoeidheid, verdorvenheid en oppervlakkigheid van het oog teweegbrachten en teweegbrengen, als wel de opdringerigheid en overdaad van de holle symboliek en retoriek ervan. Ook is duidelijk uit het manifest – het is te lezen in de begeleidende gids bij de tentoonstelling – dat Neagu zich, zoals zoveel Europese kunstenaars ten Westen én ten Oosten van het IJzeren Gordijn, bezighield met de toekomst van de kunst binnen de samenleving. Blijkbaar zag hij dat wat hij verkondigde in zijn manifest zelfs als een overlevingsstrategie. Om haar plaats te behouden en te verstevigen moest kunst palpable, voelbaar, tastbaar zijn.

Dat maakte hij duidelijk in zijn performances. Zo liet hij in de performance Blind’s Bite uit 1976, waarvan een foto is te zien in de tentoonstelling, geblinddoekte deelnemers versgebakken wafels eten met honing. Het wafelpatroon met zijn regelmatige cellen komt terug in veel tekeningen en in een schilderij in de tentoonstelling. Handen, voeten en vooral mensfiguren zijn opgedeeld in regelmatige cellen. De figuren zijn niet anatomisch correct opgebouwd, ze zijn verdeeld in cellen zoals een wafel in het wafelijzer: de uiteindelijke vorm van de wafel trekt zich niets aan van de grootte of vorm van de cellen waaruit hij is opgebouwd. Naar de randen worden de cellen verkleind of schuin afgesneden. Er vindt op die manier een vreemde samenloop plaats: de mensfiguur wordt zowel iets lichamelijks – dat is ze van zichzelf eigenlijk al –  als iets onlichamelijks. De celstructuur, die door Neagu steeds op technische wijze getekend wordt, nodigt uit aan te raken, zoals ook een wafel de sensatie van het aanraken met de vingers en de mond opwekt. Anderzijds heeft zo’n uit cellen opgebouwde mensfiguur niets echt menselijk-lichamelijks meer. Blind’s Bite doet onwillekeurig denken aan het toedienen van de hostie en daarmee aan iets religieus overdrachtelijks. Het toevoegen van de honing doet ook denken aan een bijenraat en zijn cellenstructuur, dat is nadrukkelijk andere koek dan een hostie. Een bijenraat staat voor niemands individuele lichaam, maar wel voor een bouwstructuur, een bouwlichaam zo je wil, waarin jong leven wordt grootgebracht met uit bloemen gewonnen substantie. De cellen vormen een structuur van leven en groei en op die manier wordt de bijenraat en in overdrachtelijke zin de honingwafel toch weer een lichaam. Hoe overdrachtelijk ook, de wafelstructuur van het lichaam wordt bij Neagu geen symbool van een vervangende religie. Het wordt eerder de uiting van een alternatief levensgevoel. Het levensgevoel van de mens als een receptor en schepper, een lichaam van leven en groei, vooral ook van ideeën. Was het lichaam een letterlijke structuur voor leven en groei in medische zin dan had Neagu net zo goed een aantal anatomische tekeningen kunnen maken. Hij doet dat uitdrukkelijk niet.

Ondanks dat Neagu als een ideeënkunstenaar, een conceptuele kunstenaar zo je wil, te beschouwen is, gebruikte hij wel degelijk de mogelijkheden van verschillende materialen. Genoemd werden al het tekenen en schilderen en de performance – waarin hij zelfs eetbare elementen en dus gevoel en smaak incorporeerde – maar hij maakte ook sculpturen, keramisch en grafisch werk. In feite kunnen in een relatief kleine tentoonstelling over een heel kunstenaarsbestaan maar weinig aspecten uitgediept worden. Van de bedoelingen van het Palpable Art Manifesto! blijft zo misschien weinig over. Zoiets kan ook niet de bedoeling zijn bij een eerste kennismaking met het werk van een kunstenaar die in Nederland vrijwel onbekend is gebleven. Het heeft ook weinig zin de kijker te blinddoeken en opnieuw verse wafels met honing te serveren, noch is het mogelijk om iemand tegen de muren op te laten rennen, zoals Neagu op verschillende plekken zelf heeft gedaan (Ramp, 1976), waarvan nog foto’s getuigen (ook te zien in de tentoonstelling). Ook is het niet mogelijk om de kijker een doosje te laten openen waarin een tekening zit van de Cake Man, de in cellen opgedeelde mens (Cake Man, 1970), want ook het openmaken van een doosje met iets erin hoorde bij Neagu’s manier om de tastzin en de sensatie van het ontdekken door een fysieke handeling in de kunst in te zetten.

Dat zijn in feite geen acties en performances waarin Neagu de toeschouwer uitnodigde om deel te nemen als in een spel, het was niet deelnemen in een kunstwerk, het was deelnemen in het proces van kunst zelf, het maken en ervaren tegelijkertijd. Daarmee reduceerde Neagu kunst (het maken én ervaren) in feite tot vrij basale handelingen. Het feit dat de kijker een interpreet en daarmee een uitvoerend kunstenaar is, zoals een acteur of een musicus, wordt door hem heel basaal opgevat; het is Neagu’s strategie om de kunst terug te brengen bij de beschouwer. Het is of de kunst zich op die manier uitbreidt tot het hele ervaringsscala van de mens. Daarvan lijkt ook Human 54 Cells – Anthropocosmos uit 1972 te getuigen. Vanuit een cellenstructuur in een mensfiguur – deze keer wat meer anatomisch aangepast – breiden lijnen en kleuren zich uit in de omgeving. De mens wordt er als het ware zijn eigen wereld, los van allerlei visuele prikkels van die wereld. Je zou Anthropocosmos als een ideaal beeld kunnen zien, als de mens die vanuit zichzelf zijn eigen wereld schept, ver van allerlei beeldsymboliek van media, politiek, religie en commercie.

Die idee van een anthropocosmos ontwikkelde Neagu vanaf 1971. Die kosmos die uitging van de mens, had idealiter een eigen beeldtaal en een eigen grammatica nodig. Neagu kon daarbij niet anders dan van zijn eigen ervaringen uitgaan. Zo ontwikkelde hij de vorm van de hyphen, het Engelse koppelteken dat zowel verbindt als scheidt, als middelpunt van zijn beeldtaal. Qua vorm is de hyphen in zichzelf gekeerd en ietwat onbestemd, gedeeltelijk naar één kant taps toelopend. Bij Neagu wordt het een sculpturale vorm die steeds open is als een skelet. De vorm wordt als sculptuur geen dicht of zwaar volume maar een ruimte van waaruit ideeën zich vrijelijk kunnen vormen. Er zijn meerdere associaties te maken met Neagu’s hyphen. Een ervan is dat de vorm te herleiden is naar die van een Roemeens krukje, volgens een andere is de vorm gebaseerd op een schoenmakersleest. In de foto van Blind’s Bite lijken de wafels gebakken te worden op een hyphen-vormig tafeltje.

In een stalen sculptuur noemt Neagu de vorm een monoliet (Open Monolith, 1984), een heel duidelijk voorbeeld van het open houden van een anders volstrekt ondoordringbare vorm. In die sculptuur valt de stervorm op. Dergelijke vormen en bewegingen zijn ook weer terugkerende elementen in Neagu’s vormentaal, zoals ook de tornadovorm, eigenlijk meer een beweging dan een vorm. Niettemin blijft vooral de compactheid van de hyphen de drager van ruimte voor ideeën in uiteenlopende materialen en kleuren. In de tentoonstelling zijn onder meer drie fraaie houten hyphen-sculpturen te zien, ieder door hun verschillende kleuren en uiteenlopend materiaalgebruik diverse ideeënwerelden vertegenwoordigend (Arguments Hyphen, 1975-1980; Orange Deck, 1985; Full Moon Hyphen, 1988). De hyphen lijkt door de jaren heen bij Neagu te gaan staan voor zowel het alles als het niets. De onbestemdheid van de vorm maakt de hyphen veelzijdig voor hem. De hyphen wordt niet een specifiek symbool maar meer een open vat dat menselijke eigenschappen aan de verbeelding verbindt, los van enige symboliek uit de zich opdringende buitenwereld. De hyphen kan inhoudelijk klein of immens zijn, hij kan een cel zijn als in een Cake Man, maar kan zelf ook uit veel denkbeeldige cellen bestaan. Neagu kon in de hyphen zijn liefde voor geometrie uitleven en het materiële en technische maken en het metafysische denken combineren, los van de wereld die hem en ons opgedrongen werd en wordt.

Ondanks de eerder opgemerkte beperkingen is PARTS Project erin geslaagd een rijke tentoonstelling te maken voor degenen die willen kennismaken met het werk van deze gevierde maar toch betrekkelijk onbekende kunstenaar. Er valt veel meer te zien en te interpreteren dan hier in vrij kort bestek kan worden samengevat. Het is beslist een van meerdere hoogtepunten in het nog korte bestaan van PARTS Project, en als gewoonlijk weer goed begeleid met leesmateriaal en achtergrondinformatie.

(Klik op de plaatjes voor een vergroting)

Bertus Pieters

Zie voor meer plaatjes: https://villanextdoor2.wordpress.com/2019/02/15/paul-neagu-anthropocosmos-parts-project-the-hague/

Zie ook: http://jegensentevens.nl/2019/02/anthropocosmos-in-een-notendop/

https://www.tate.org.uk/art/archive/tga-200727/material-relating-to-artworks-by-paul-neagu

http://www.metropolism.com/nl/reviews/37537_paul_neagu_parts_project

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: