Spring naar inhoud

Geen stad zonder kunst

22 mei 2019

Onder de titel Geen stad zonder kunst hebben Platform BK en de Kunstenbond een aantal samenkomsten belegd in zes grote steden met vragen aan lokale kunstenaars en aanhangend vocht, of kunstenaars in een stad kunnen werken en wonen, hoe ateliers betaalbaar gemaakt kunnen worden, hoe plekken voor het maken en tonen “verduurzaamd” kunnen worden en hoe kunstenaars meer “het heft in eigen hand” kunnen nemen. De aftrap werd deze week gegeven in Den Haag bij Stroom.* De toon was optimistisch en Den Haag werd als voorbeeld gesteld. Niettemin was er ook een kritische ondertoon van miskenning van de kunst en het autonome kunstenaarschap en de waarde daarvan voor een samenleving. Die kritische ondertoon is belangrijk want, hoe optimistisch en voorbeeldig Den Haag zich ook presenteerde, er kan niet ontkend worden dat het bestaan van veel kunstenaars en mensen en organisaties die met de kunst te maken hebben, precair is. Gesuggereerd werd dat kunstenaars zich, waar mogelijk, meer politiek moeten opstellen en meer invloed moeten verwerven. Anderzijds werd geconstateerd dat het stadsbestuur ook wel meer interesse, bevlogenheid en deskundigheid mag tonen (zo schitterde de Haagse cultuurwethouder door afwezigheid, ondanks een uitnodiging) voor met name de autonome kunstsector.

Aangenomen dat je zo’n bevlogen wethouder hebt, evenals bevlogen volksvertegenwoordigers en andere voortrekkers in de stad, zul je er ook rekening mee moeten houden dat je als kunstsector wel kunt menen dat je ongelofelijk belangrijk bent (en dat is de kunstsector ook), maar dat andere sectoren – woningbouwers, openbaar vervoerders, ziekenverzorgers, onderwijzers, middenstanders, sportlui enzovoort – dat ook van zichzelf vinden en niet zonder reden. Dat zijn de marges waarbinnen een stadsbestuur moet werken en denken. Kunstenaars hebben echter al heel lang op de schopstoel gezeten en die situatie is ideologisch versterkt door het welhaast sadistische, politieke vandalisme ten aanzien van de cultuursector door het eerste kabinet Rutte (2010-2012). De sector werd in naam van de crisis – een prima stok om de hond mee te slaan – financieel buitenproportioneel gekortwiekt en gekleineerd. Terwijl de omgevallen banken aan een financieel miljardeninfuus lagen en het grote bedrijfsleven “gestimuleerd” werd, kregen kunstenaars en werkers in de cultuursector te horen dat zij van het “subsidie-infuus” af moesten. Het grote alternatief was het cultureel ondernemerschap. Je maakt als kunstenaar een product, dat moet aan de man gebracht worden en als dat niet lukt kun je er beter mee ophouden, zo was de idee. Intussen is dat culturele ondernemerschap meer een bittere noodzaak geworden dan een bron van energie en kwaliteit. Hoezeer jonge kunstenaars ook geprezen worden om hun vindingrijkheid om in hun bestaan te voorzien (en vaak niet veel meer dan dat), hun ondernemerschap staat een goede artistieke ontplooiing niet zelden ernstig in de weg. Twee denkwijzen lijken elkaar fataal ontmoet te hebben: de idee dat een kunstwerk een commercieel product is als ieder ander dat alleen door concurrentie verbeterd kan worden, en de idee dat goede kunst niet anders dan door tegenslag kan ontstaan. Zie de gelikte documentaires die af en toe door Avrotros worden uitgezonden over beroemde kunstenaars die zo eenvoudig begonnen zijn maar wier werk nu hoge prijzen scoort bij grote veilinghuizen. Wie dat niet lukt, snijde zijn oor af, opdat de roem in ieder geval postuum nog gegarandeerd zij.

Wat de gedachte betreft dat een kunstwerk een product is, is het interessant om filosoof en kunsttheoreticus Boris Groys aan te halen. “Er wordt vaak gezegd dat een kunstwerk een consumptieartikel is, maar culturele producten worden niet geconsumeerd als andere koopwaar. Als ik brood consumeer, verdwijnt het nadat ik het opeet. Als ik een auto koop, wordt die mijn eigendom en kan ik hem gebruiken – en ook kapot maken. Culturele producten verdwijnen echter niet bij hun consumptie. Nadat ik naar een kunstwerk gekeken heb of een tekst gelezen heb, blijven die intact,” aldus Groys.** Zeker, Groys’ redenering lijkt niet sluitend, tenslotte, de vorm en smaak van een brood zijn ook cultureel bepaald en dat geldt ook voor het ontwerp van de auto. Echter, een brood is primair gebakken om opgegeten te worden en een auto om mee gereden te worden. Kunnen zij dat niet meer dan zijn ze, economisch gezien, nutteloos geworden of op. Natuurlijk zijn er ook kunstwerken die vernietigd of verdwenen zijn in de loop van de geschiedenis en ook zijn er kunstwerken die eenmalig zijn. De muziek en de podiumkunsten moeten het van het moment suprême hebben en ook de beeldende kunst kent haar eenmaligheden. Niettemin worden ze voorafgegaan door soms vele jaren van intensieve fysieke en geestelijke oefening en studie om uiteindelijk als esthetisch fenomeen beleefd te kunnen worden. Esthetiek is daarbij niet bedoeld als simpele mooiigheid maar als een betekenisvolle genieting die de verbeelding inschakelt in plaats van uitschakelt. In die zin snijdt Groys’ voorbeeld zeker hout. Als commercieel product dat aan concurrentie onderhevig is, is een kunstwerk daarom erg problematisch.

Dat geldt niet alleen voor kunstwerken maar ook voor andere essentiële zaken die met esthetiek en/of met ethiek te maken hebben. Zo wordt het onderwijs gezien als een fabriek waarin producten – keurige, hardwerkende, jonge burgers – afgeleverd worden, terwijl het onderwijs in principe geen bedrijf is dat producten levert, het levert kennis en vaardigheden en zorgt ervoor dat mensen zich kunnen ontplooien – dat is althans de grondgedachte –. Wanneer je van die niet-commerciële grondgedachte afwijkt zal je onderwijssysteem van de ene crisis naar de andere hobbelen. Hetzelfde geldt voor de gezondheidszorg. Het is toch van de gekke dat we vandaag ziekenhuizen hebben die failliet kunnen gaan. Toen dat vorig jaar gebeurde leek geen enkele gezagsdrager of commentator de absurditeit daarvan in te zien, wat op zich net zo absurd was. Een goed ziekenhuis spant zich tot het uiterste in zieke mensen beter te maken. Dat heeft in principe niets met handel of concurrentie te maken. Het heeft des te meer met kennis en toewijding te maken. Medische zorg, onderwijs en kunst zijn zaken die uiterst problematisch zijn als handelswaar. Hetzelfde geldt voor het recht, zeker waar het gekoppeld is aan levensvoorwaarden zoals een goed dak boven het hoofd om te kunnen wonen en werken, een gezonde levensstijl, veiligheid, bescherming enzovoort. Zie je die levensvoorwaarden als producten waaraan je verdienen kunt en die dividend kunnen genereren, dan zullen die levensvoorwaarden en de bijbehorende rechten vroeger of later met voeten getreden gaan worden. Beleidsmakers zullen dat bevestigen, zullen het naar vinden, misschien zelfs doekjes tegen het bloeden aanbieden of over een speciale regeling discussiëren, maar verder zullen ze de gang van zaken als onoverkomelijk zien, daarmee hun taak verkwanselend als hoeders van het algemeen belang. Zelfs dat laatste zullen ze niet inzien daar hen voorgehouden wordt, net als iedere andere nietsvermoedende burger, dat het denken in producten en winsten de enige en best denkbare mogelijkheid van bestaan is en dat het algemeen belang daarmee het beste gediend wordt.

In die positie bevindt zich ook de autonome kunst. Je kunt nu eisen als kunstenaar dat de overheid je een welverdiend warm hart toe gaat dragen en doet wat ze kan, maar wat verandert dat aan de precaire situatie van de autonome kunst? Zeker, het zou een slok op een borrel kunnen schelen, maar je hebt maar een ongemakkelijke verkiezingsuitslag nodig om een streep door de rekening te halen. De kunst staat ook niet los van de al eerder genoemde maatschappelijke sectoren. Afgezien dat een kunstenaar een dak nodig heeft als ieder ander om onder te kunnen wonen en werken, moet een kunstenaar ook opgeleid kunnen worden, ook een kunstenaar kan kinderen hebben die naar school moeten, ook een kunstenaar kan in het ziekenhuis terecht komen. Met andere woorden, de autonome kunstsector zal nooit materieel “duurzaam” versterkt worden als de grondgedachte waarop de huidige samenleving functioneert (en vastloopt) niet verandert. Fundamentele veranderingen in de kunstsector kunnen niet plaats vinden als er niet in de gehele samenleving iets fundamenteel verandert.

Terugkerend naar de bijeenkomst in Stroom kan Den Haag zich dan wel positief afficheren, toegegeven zal toch moeten worden dat de situatie voor de kunst in korte tijd verzwakt kan worden door ongeïnteresseerdheid, conformisme, provincialisme, winstbejag en (wat helaas ook kan) pure kwaadaardigheid. Wanneer je constateert dat de situatie zo gemakkelijk verzwakt kan worden, houdt dat in dat de situatie in feite al zwak is. De autonome kunstenaar moet ook in Den Haag veel moeite doen om zich te kunnen concentreren op werk met een esthetiek die inspireert en geïnspireerd is. Al die moeite die daarvoor gedaan moet worden, kost tijd en energie die niet gestoken kan worden in het maken van dat werk, terwijl de kunstenaar dat nu juist als zijn of haar voornaamste opdracht heeft.

Den Haag telt relatief veel goede kunstenaars. Dat is voor deze stad met een goede kunstacademie die veel studenten aantrekt, die hier graag, wanneer zij eenmaal professioneel zijn, hun werk willen blijven maken, een enorme rijkdom. Daarnaast is er veel kennis over kunst in Den Haag opgebouwd, is de stad een kruispunt van meerdere nationale en internationale artistieke netwerken en is er een uitstekende band met de Leidse Universiteit. Dat houdt in dat hier potentieel artistieke bergen verzet kunnen worden, maar het stadsbestuur lijkt daar amper wat in te zien. Liever gooit het zijn geld weg aan allerhande schreeuwerige citymarketing, waarvan je, kon ze gegeten worden, het glazuur spontaan van de tanden zou springen. Wat dat betreft is het optimisme van de bijeenkomst bij Stroom niet meer dan een oefening in het tellen van zegeningen. In feite is dat te pover. Het enige voor de hand liggende antwoord dat een autonome kunstenaar kan geven, is dan toch maar dat werk maken, hoe, waar en wanneer dan ook, en het linksom of rechtsom laten zien. Voor het overige zou het nuttig zijn wanneer men zich er van bewust is dat de precaire situatie van autonome kunstenaars een symptoom is van een samenleving die alleen op winst denkt te kunnen draaien, en je kunt symptomen bestrijden, de ziekte neem je er niet mee weg.

 

Bertus Pieters

 

* Er volgen nog bijeenkomsten in Tilburg, Arnhem, Maastricht, Utrecht en Amsterdam.

 

** “It is often said that an artwork is a commodity, but cultural products are not consumed like other commodities. If I consume bread, it disappears after I eat it. If I buy a car, it becomes my property and I can use it – and also ruin it. Cultural products, however, do not disappear in the act of their consumption.” Groys, B., ‘The Contemporary Condition: Postmodernity, Post-Socialism, Postcolonialism’, in Hlajalova, M and Sheikh, S. (ed.), Former West: Art and the Contemporary after 1989, BAK, Utrecht, 2016, p. 43

ADVERTENTIES OP DEZE SITE VALLEN NIET ONDER VERANTWOORDING VAN VILLA LA REPUBBLICA!!

One Comment
  1. Tanja Smit permalink

    Mooi artikel, Bertus, dank je! Groet, Tanja

    >

    Like

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: